Categorie archief: 2011: Via de la Plata

Over de top

Gisteravond hebben we vooraf voor de zekerheid maar in de bar hier in het dorp heerlijke Spaanse ham gegeten met een goed flesje wijn erbij. Aldus gesterkt keerden we terug naar onze refugio in het huis van de pastoor. Om acht uur zijn we naar de mis gegaan in het kerkje. ‘Onze’ pastoor deed alles zelf, hij had geen misdienaars, wat ik wel verfrissend vond. Na de preek moesten alle pelgrims naar voren komen en de armen om elkaar heen slaan. Zo gaf hij ons vervolgens de pelgrimszegen, daarna zong de gemeente een pelgrimslied voor ons. Althans, dat neem ik maar aan, want ik hoorde vaak “Santiago”, ik versta er uiteraard niets van. Toen de mis afgelopen was, kregen we van heel veel mensen een hand. Het klinkt misschien wel softy, maar het doet je echt wel wat.

Terug in de herberg bleek het eten op tafel te staan. Volgens ons was het de rest van de paella die we ’s morgens onderweg in een of ander sociaal centrum hebben gezien. We hebben daar koffie gedronken en daar was een aantal vrouwen bezig enorme paella’s te maken. We vroegen ons al af waar dat heen zou gaan. Maar vooruit, we hebben er toch maar een hapje van genomen. De Koreanen zongen weer een vrolijk lied en halverwege kwam een vrouwelijke dokter binnen. Ze werkt op de intensive care op Majorca en loopt elke dag gemiddeld 50 km!!! Ze stapte binnen of ze even een blokje om was geweest en schoof gezellig mee aan voor de paella.

De nacht was af en toe wat onrustig, want een van de Koreanen blijkt in zijn slaap te praten. Hele verhalen hoorden we aan, uiteraard onverstaanbaar. Af en toe kwam hun ‘juf’ uit bed en zei iets tegen hem, dan ging het weer een half uurtje goed en dan begon hij weer. Vanmorgen heeft hij uitgebreid bij iedereen zijn excuses gemaakt. Dat is natuurlijk helemaal niet nodig, want zo gaat dat nou eenmaal als je met meer mensen in een ruimte slaapt: de een zucht, de ander snurkt, enz.

Vanmorgen om half acht zijn we weer vertrokken en koud dat het was…. verschrikkelijk. Als ik handschoenen bij me had gehad, zou ik ze hebben aangetrokken. Gestadig zijn we omhoog geklommen en om half twaalf waren we op de top! Behalve een schitterend uitzicht was er niet zoveel, een aantal windmolens en een bescheiden kruis. We vonden echter een beschut plekje uit de wind, in de zon, met rotsblokken waarop we konden zitten en uitzicht op het dal. Daar hebben we wat kaas gegeten, iets met noten erin, een sinaasappeltje en ja, dan is het leven erg goed.

Daarna zijn we weer afgedaald. Hert eerste stuk was een mooie weg, maar de laatste 15 km ging over een asfaltweg. Dat is ook wel mooi, maar veel eentoniger. Het was vrij vlak en overal enorme boerderijen met heel veel land erbij. Voor mij was die asfaltweg wel goed, want mijn schoenzool was weer los.

Na 28 km waren we dan bij de refugio in San Pedro de Rozados. Aan de overkant van de refugio staat een villa, daar kan je kamers huren. Margrit had daar vanmorgen kamers besproken. Ze is jarenlang reisleider geweest, dus vandaar dat het organiseren van dit soort zaken haar in het bloed zit en eerlijk gezegd vind ik het wel gemakkelijk. Ze loopt maar tot Zamora, dus daarna moet ik het weer alleen uitzoeken, nu profiteer ik er even van.
Maar goed, toen we dus bij de villa aankwamen was die op slot. Een telefoontje naar de eigenaar, die zei dat de sleutel onder de mat lag. Wij zoeken, maar mooi geen sleutel! Dus we hebben onze rugzakken eerst maar neergezet bij de refugio aan de overkant, waar onze Koreanen vertelden dat de kamers in de villa door twee Fransen waren bezet, die de sleutel hadden gevonden.
We zijn eerst maar gaan eten in de bar in het dorp. Toen bleek dat deze ook kamers verhuurt. Dus nu hebben we een mooie kamer en nog € 2 goedkoper dan in de villa. En…..onze was wordt voor ons gedaan. Wat een luxe.

Het is nog steeds genieten elke dag!

Een eenzaam gebied

Ik denk dat jullie geen flauw idee hebben hoe eenzaam dit gebied hier is. Ik verbaas me elke dag weer over het verschil met wat ik gewend ben thuis. En toch liepen hier tijden geleden al Romeinen rond, getuige de vele mijlstenen langs de route vandaag. Het leken wel kilometerpalen, zoveel waren het er.
Uit een weiland naast het pad vlogen ineens, toen wij er langs liepen, wel twintig ooievaars tegelijk omhoog. Wat nou, weinig ooievaars? Hier zijn er bijna net zoveel als bij ons ganzen, krijg ik de indruk.
Verder was het een mooie route vandaag, met veel uitzichten. Onderweg kregen we een flinke bui, verder bleef het droog. Als het hier regent, sneeuwt het in de bergen, dus daar zie je weer meer sneeuw liggen, een mooi gezicht. De weg liep wel omhoog, maar niet zo steil, meer geleidelijk aan.
Precies op het moment dat we de refugio in Fuenterroble de Salvatierra bereikten, barstte er weer een felle bui los. Het zijn heel heftige buien hier en daartussen schijnt de zon wel gelukkig, maar het is gewoon koud. Als de zon weg is, is het maar 12, 13 graden. En ik heb natuurlijk geen trui bij me. Trouwens, bijna niemand heeft een trui bij zich, want iedereen heeft op mooi weer gerekend.

De refugio hier is een bijzondere. De albergue wordt geleid door de pastoor en die heeft een stel helpers om zich heen verzameld, allemaal alternatievelingen. In het gastenboek staat dan ook dat er hier een heel speciale sfeer hangt. Dat is misschien ook zo, maar er moet me toch iets van het hart:
Waarom moeten bijzondere en alternatieve herbergen altijd ook een beetje vies zijn? En een klein beetje luxe mag toch ook wel? Denk niet dat het hier slecht is of zo, maar het valt me gewoon op.

De Koreanen zijn er ook weer, hebben een set voor acupunctuur bij zich en steken nu bij iedereen die maar wil de naalden erin. Ze wilden mij ook behandelen, maar ik zei: “Ik heb niks, ik ben veel te jong” “Hoe oud dan?” Zodra ik dan “67 jaar” zeg, beginnen ze te buigen als knipmessen. Het zijn echt een stel komedianten, geweldig gewoon. Een van hen is een vrouw, die onderwijzeres is op een basisschool. Soms is het net of ze met haar klasje uit is. Als ze het te gek maken, roept ze hen tot de orde en is het afgelopen.

Kijk, zulke dingen maak je niet mee als je in een hotel gaat slapen. Als pelgrim leef je dus voortdurend met een dilemma: in een hotel slapen met comfort, maar geen andere pelgrims ontmoeten of in een refugio slapen met andere pelgrims, maar geen comfort.
Margrit en ik hebben nu maar besloten dat we één op de drie nachten wel in een hotel mogen slapen. Met andere woorden: Als we in Salamanca zijn, waar we maandag hopen aan te komen, gaan we in een hotel. Ik wil er in ieder geval een dag blijven en aangezien je geen twee nachten achter elkaar in dezelfde refugio mag blijven, moet ik dus wel in een hotel. Goeie smoes, hè?!!

Vanavond kunnen we hier in de refugio paella eten. Nou heb ik eens een blik in de keuken geworpen en vond de paella er niet zo geweldig uitzien. Eens kijken of ik de anderen mee kan lokken naar de bar hier vlakbij, waar je ander eten kunt krijgen. Maar als ik moet kiezen tussen paella eten met zijn allen of in mijn eentje in de bar, dan wordt het natuurlijk de paella. Dan eet ik maar iets minder. Trouwens, mijn buikje is geheel verdwenen, ik ben een slanke pelgrim geworden. Jammer alleen dat dat buikje er vanzelf weer aangroeit als ik een paar weken thuis ben.

Ik beleef eigenlijk niets en toch beleef ik zoveel

Vandaag hoefde ik maar 12 km te lopen, dus het kon allemaal rustig aan. Eerst ging de route vrij steil omhoog, toen daalde hij via een mooie route met mijlstenen naar beneden naar de rivier. Er hoefden geen schoenen uit dit keer, want er lag een stenen brug uit 1798. Daarna was het weer flink klimmen geblazen tot Calzada de Bejar toe.
Om twaalf uur waren we gearriveerd in de refugio. Een mooie refugio en vooral het uitzicht hier vandaan op de bergen is schitterend. Nou ja, kijk zelf maar…

Refugio-Calzada-web

Het weer is wat winderig en er zijn wat wolken. Maar de wolken worden afgewisseld met de zon en het is 23 graden, dus prima weer, mijn wasje is alweer bijna droog.

Calzada de Bejar is een piepklein dorp met maar een paar huizen. De hoofdweg is niet bestraat, zo af en toe een keitje en dat is het dan. De vrouwen zitten ’s middags gezellig voor het huis. Ik wist niet dat dit nog bestond. Geweldig om dit weer mee te maken. Er gebeurt eigenlijk niks, toch kom je niet uitgekeken.
Op de kerktoren is een ooievaarsnest en daarin een jong ooievaartje dat nog niet kan vliegen. Een van de ouders vliegt dan weg om eten te halen voor het jong. Als hij (of zij) terugkomt, kleppert de ander luidruchtig. Dan wisselen zij elkaar af en vliegt de ander eruit. Dat is nou emancipatie. Ik heb me laten vertellen dat de ouders, als ze vinden dat het jong oud genoeg is om te vliegen, ze hem (of haar) gewoon het nest uit mikken en dat hij dan niet meer terug mag komen.

De hele middag zaten we met zijn tweeën, maar nu begint het vol te lopen. Eerst de fietsers, die ons vertellen dat ze de Koreanen en de Oostenrijkers hebben zien lopen en dat die er ook weer aankomen.
Wat de sigaartjes betreft, ik heb vijf kleine Havanna’s op de kop weten te tikken. Prima dus. Maar mijn La Paz sigaartjes kan ik nog nergens vinden en dat terwijl ik in het verleden er duizenden naar Spanje heb vervoerd. Maar ik ben al blij dat ik deze heb en in Salamanca zal wel een sigarenwinkel zijn.

Er gaat hier nu een luid gejuich op, want de Koreanen zijn gearriveerd. Dus dat kan weer een gezellige boel worden….

Ruzie in het dorp

Het idee van mijn beide zussen om een postelastiek om mijn schoen te doen is zo gek nog niet, want mijn zool is weer losgegaan. In Salamanca toch maar eens een schoenmaker opzoeken, denk ik.

Vanmorgen stond ik om half zeven naast mijn bed en na het wassen, ontbijten en zo stapten we om half acht naar buiten. Het eerste stuk moesten we het zonder pijlen doen, aangezien we gisteren het laatste stukje van de officiële route zijn afgeweken. Nadat we een stuk gelopen hadden kwamen we bij een rivier, waar we met onze schoenen aan echt niet door konden. Het water stond veel te hoog en de stroom was snel. Dus er zat niets anders op dan de schoenen maar weer uit te doen. Margrit op blote voeten, ik de crocs aan en zo zijn we naar de overkant gekrabbeld.

Aan de overkant vonden we vrij snel de route weer en konden we weer achter de gele pijlen aan. Rechts van me liggen de bergen met de toppen in de sneeuw. Nu liggen ze rechts, maar ik moet er wel overheen, dus dat wordt klimmen. Volgens de gids gaan we tot 1200 meter hoogte. Nou ja, ik zit nu al op 600 meter, dus op de helft zullen we maar denken.

De laatste 10 km liepen we op een heel smal strookje langs de autoroute, dus dat was niet echt leuk. Om een uur of twee waren we in Banos de Montemayor en vervolgens moesten we wachten tot om vier uur de albergue open ging. Geen nood, in die tussentijd kun je mooi eten. Banos de Montemayor is een echte toeristenplaats, een soort Spa, met thermen en zo. Het ziet eruit als een rijke plaats. Dat is weer eens iets anders dan de stille Spaanse dorpen, waar we steeds terecht kwamen. Er zijn ook heel veel hotels en restaurants. In het eerste restaurant werden we zo grof behandeld, dat we eruit zijn gelopen. Als er geen eerbied meer is voor ons pelgrims, waar blijven we dan?

Toen zijn we naar een hostal gegaan en hebben daar goed gegeten. Na het eten maakte de baas een praatje met ons, en meldde toen dat wij ook bij hem konden slapen. Voor € 28 gaf hij een kamer, een diner vanavond en een ontbijt morgenochtend. Het klonk aanlokkelijk, maar onze rugzakken stonden al bij de albergue, dus wij zijn netjes weer terug gewandeld. De gastheer van de albergue vroeg of we al gegeten hadden en waar. “In Hotel Solara”, zeiden wij. “O, dan hebben ze jullie zeker wel gevraagd of jullie daar wilden slapen en een leuk aanbod gedaan?” “Klopt”, zeiden wij. Toen bleek dat er hooggaande ruzie is tussen de albergue en de hotels, want de hotels willen de albergue weg hebben vanwege oneerlijke concurrentie.
“Ja”, zei onze gastheer, “toen het goed ging, wilden ze absoluut geen pelgrims hebben, dat was te min, maar nu is het crisis en nu zijn alle pelgrims ineens hartelijk welkom”.
Jullie zien dat er naar onze gunst wordt gedongen. Je zou er hoogmoedig van worden, maar dat mag natuurlijk niet als pelgrim zijnde.
Overigens hebben we hier een prima kamer, geen stapelbedden, zelfs een kast voor je kleren, een mooie zitkamer en een tuin, waar we de was kunnen drogen. En dat alles voor € 10, dus we zijn best tevreden.
Ik heb gewassen, mijn zool weer geplakt, nu ga ik even naar de apotheek om tandpasta en zonnebrand of zo te halen, want ik heb weer bulten van de zon. Druk, druk, druk dus, straks maar gauw weer even uitrusten in het zonnetje op het terras of in de tuin. En dan is het alweer bijna etenstijd en is er alweer een dag voorbij.

Canadas Reales

Tot onze vreugde arriveerden gisteren toch nog Janine, Manuelo en de Italiaan. Weliswaar doodmoe en kapot, maar ze waren er. Alleen was er hier geen plaats meer. Toen mochten ze in de hal op de banken slapen en ze hebben heerlijk geslapen, zeiden ze vanmorgen.

We hebben gisteravond een uiterst plezierige avond gehad met onze Koreanen en veel gelachen. Ik werd herhaaldelijk op de schouders geslagen, omdat ik de oudste was en er nog zo gezond uitzie. Een van de Koreanen heeft het eten voor ons allemaal betaald, want “Ik heb toch een creditcard”, riep hij. Manuelo heeft toen ook nog eens de orujo na het eten betaald, want die zei weer: “Ik hoef het eten nu toch niet te betalen, dus het kan eraf”.
Vanmorgen heb ik een tijdje gelopen met een van de Koreanen en gezellig gepraat. Zeg nou zelf, wanneer kom je op zo’n ontspannen manier met Koreanen in aanraking? Dit is echt geweldig leuk.

We hadden vandaag de keus tussen 14 km lopen of 42 km. Ja, 14 km vonden we te kort en 42 km te lang. Margrit en ik zijn toen in plaats van via Oliva de Plasencia te gaan rechtdoor gelopen tot Caparra. Dat was ongeveer 21 km en Caparra is een ruïne van een Romeinse stad, dus dat leek ons wel leuk. We hadden een hotel besproken in Javille aan de Route Nationale en de baas van het hotel zou ons bij de ruïne op komen halen, maar dat kon om half één of anders pas weer om vier uur.

Het was een verschrikkelijk mooie route, net een droomwereld. Niet de eenvoudigste route, want er waren steeds beekjes die je over moest steken. Dan moet je van de ene steen op de andere stappen en dat gaat lang niet altijd makkelijk, want die stenen liggen uiteraard niet keurig op een rijtje en lekker vlak, maar soms wiebelen ze of zijn glad en kost het moeite om je evenwicht te bewaren. Je zit niet te wachten op een valpartij, want ten eerste is dan alles van top tot teen smerig, maar ten tweede kom je met een rugzak om niet zo makkelijk overeind. Ik heb altijd gedacht dat de provincie Extramaduro, waar ik nu ben, zo droog was, maar dat is dus helemaal niet waar. Net zo min als het idee dat ik had dat het in dit gebied zou wemelen van Spaanse molens, het is tenslotte het gebied van Don Quichot. Nou, ik heb er nog niet één gezien, alleen een namaakmolen. Zo zie je maar weer, van al die zaken zoals je je ze voorstelt, klopt vaak in werkelijkheid niet veel.

Gelukkig zijn alle oversteken goed verlopen en liep ik stukken over de Canadas Reales. Dat is een pad van stroken van ongeveer 75 m breed met goed onderhouden gras en het valt onder bescherming van de koning. Die weg loopt van Noord-Spanje helemaal tot Zuid-Spanje en dient om de kuddes te vervoeren van Noord naar Zuid en omgekeerd. Toen ik de Camino Frances liep, zat ik aan het andere einde van dit pad, ben er toen dwars overgestoken en nu loop ik er dus gedeeltes van.

Uiteindelijk haalden we het niet om om half één bij de ruïnes te zijn, maar wij dachten dat er genoeg te zien zou zijn en iets te eten, zodat het snel vier uur zou worden. Dat viel wel wat tegen. De ruïnes waren wel mooi, er stonden nog een paar bogen en verder zag je het stratenplan zoals dat was en de omtrekken van de huizen, maar we waren er toch betrekkelijk snel uitgekeken. Er was wel een soort museumpje, maar daar waren alleen twee frisdrankautomaten en dat was het dan. Om daar een paar uur te blijven hangen, leek ons nou niet zo geweldig. We besloten dus nog maar een stukje te gaan lopen en eens te zien of er geen auto langs zou komen die ons een stukje mee kon nemen. Nou, met de tweede auto was het al raak, we konden meerijden tot de Route Nationale. Dat is het voordeel als er een vrouw bij is, voor mij stoppen ze niet zo gauw.

Toen zijn we langs de Route Nationale gaan lopen tot Margrit op het idee kwam de baas van het hotel te bellen om te zeggen dat hij ons dus niet bij de ruïnes op hoefde te halen. Wat wij stiekem hoopten, gebeurde, de baas zei: “O, ik kom jullie daar wel even ophalen”. Achteraf gelukkig, want het bleek dat we nog wel 10 km hadden moeten lopen. Zo zie je maar weer, het komt altijd weer goed als je pelgrim bent.

Overigens heeft deze pelgrimsroute van alle routes die ik gelopen heb, het minst met St. Jacob te maken. Af en toe kom je wel iets van hem tegen of een kerk die naar hem genoemd is, maar verder heel weinig verwijzingen zoals op de andere camino’s. Ik heb ook nog bijna geen Spanjaarden gezien, alleen ‘vreemdelingen’.

Sigaar-web
Ik heb slechts één probleempje: ik heb nog maar één sigaar. Ik rook er elke dag eentje, de weg naar Salamanca is nog lang en ik vrees dat ik pas daar sigaren kan kopen. Al mijn medereizigers kijken met mij of ze sigarenwinkels tegenkomen, maar helaas. Het anti-rookbeleid is hier nog veel strenger dan in Nederland met het gevolg dat een heleboel sigarenwinkeltjes, die je vroeger in elk gehucht had, over de kop zijn gegaan.
Ik weet dat de niet-rokers onder jullie dit geen probleem zullen vinden, maar de liefhebbers van een goede sigaar leven vast wel met mij mee. Enfin, vanavond maar weer eens in het hotel proberen of er iets is, dat wil soms nog wel lukken.

De boer en de pijlen

Vanmorgen zijn we weer met frisse moed gaan lopen. Het was een erg mooie route, maar het ging vandaag niet zonder enige strubbeling.
Op een gegeven ogenblik liepen we op een weg langs het kanaal. In de gids stond dat we dan na 800 meter scherp rechtsaf moesten. Dus wij lopen, lopen, lopen. Na 800 meter echter was er alleen een afslag naar een boerderij, maar geen pijlen of iets wat ons de weg wees. Dus zijn wij maar verder gelopen, lopen, lopen, lopen. Die weg eindigde op een boerderij, dus weer een stuk terug en een andere weg ingeslagen. Maar voor mijn gevoel gingen we toen precies de verkeerde kant uit. “Dit klopt niet”, constateerden wij en dus weer teruglopen. We zijn de hele weg langs het kanaal weer teruggelopen en eindigden in een soort ‘opstopping’ van pelgrims die ook allemaal de weg kwijt waren, wel een stuk of tien. Niemand wist het meer.

Een paar mensen, waaronder Janine, Manuelo en de Italiaan gingen toch maar een weg in waarvan ze dachten dat het de goede zou kunnen zijn, maar die hebben we tot op heden nog niet zien verschijnen….
Margrit kwam toen op het slimme idee de refugio in Galisteo te bellen en hen het probleem voor te leggen en de weg te vragen. “O”, zeiden ze daar, “dit maken we bijna elke dag mee. Jullie moeten daar namelijk over het land van een boer en die boer vindt dat niet leuk, dus die verzet de pijlen of haalt ze gewoon weg. Maar hij moet jullie toelaten.” Dat is de allereerste keer op alle camino’s dat ik dit meemaak.

Enfin, wij wederom op onze schreden teruggekeerd en nu vastberaden rechtsaf geslagen. En ja, daar stond de boer met een grote zeis in de hand nors naar ons te kijken. Vervolgens begon hij ons uit te leggen dat wij helemaal verkeerd waren en dat dit echt niet de goede camino was, enz., enz. Maar wij wisten inmiddels beter en met fier opgeheven hoofd, echt een pelgrim waardig, schreden wij vastberaden voort, dan wel niet over ’s Heren wegen, maar over dat van de boer. Het zou nu wel aardig zijn te kunnen melden dat de boer ons bedreigde met de zeis en wij moedig weerstand boden, maar de werkelijkheid is dat hij ons verder met rust liet en we gewoon door konden lopen.

Door dit gedoe hebben we wel een flink aantal kilometers voor niets gelopen, dus toen wij in Galisteo aankwamen zijn we eerst maar gaan lunchen. De baas van de bar daar sprak vrij goed Nederlands, omdat hij dertig jaar in Eindhoven heeft gewerkt. Hij liet dat dan ook graag nog even horen.
Galisteo is trouwens wel een aardige plaats, het is helemaal omringd door een Moorse muur, die nog intact is en binnen die muren zijn allemaal nauwe straatjes.
Na deze lunch besloten wij aan de verleiding om eens een stukje op vier wielen te doen in plaats van op twee voeten toe te geven. Het spijt me dit te moeten bekennen, maar wij hebben toen een taxi genomen naar Carcaboso, omdat wij daar een kamer hadden besproken en geen zin meer hadden om nog eens 10 km te lopen. Dus nu zitten we hier weer prinsheerlijk.

losse-zool-web

De zool van mijn schoen heeft weer losgelaten, dus nu heb ik er een hele tube lijm ingespoten en staat mijn bed erop. We zullen zien of hij nu beter blijft zitten, anders moet ik nog naar een schoenmaker.
En nu maar afwachten of we Janine, Manuelo en onze Italiaan aan de horizon zien verschijnen……

Koude koffie bij het ontbijt?

Ik geef toe, het was niet slim! Vanmorgen ben ik bijtijds opgestaan, was als een van de eersten aan het ontbijt, maar er was alleen maar koude koffie. Getver! Komt de Italiaanse pelgrim binnen, zeg ik: “Er is alleen koude koffie, hoor!” “Waarom?”, zegt hij, “je zet het toch gewoon in de magnetron?” Had ik dus gewoon niet aan gedacht!!! Goed, daar ben ik dus de hele dag mee gepest.

Afijn, toch maar vertrokken en het was weer een prachtige route. Ik verbaas me er iedere keer nog over dat je zo ver kunt kijken en dat je heel soms een dorp in de verte ziet, maar meestal niet. Dat vind ik iedere keer weer een sensatie. Af en toe loop ik dan zo’n hoog Romeins bruggetje over, het is echt geweldig.
Margrit en ik lopen meestal niet samen, want zij loopt veel en veel harder dan ik. Meestal wacht ze dan weer ergens waar we koffie kunnen drinken (warme dit keer!) of kunnen lunchen en dat doen we dan voor de gezelligheid samen.
Vroeg in de middag was ik in de aubergue in Grimaldo.

Foto-7-mei-2011-web

Ik bevind me nu in het gezelschap van twee Duitse dames, één Spanjaard, Zwitserse Margrit, Nederlandse Anita, Oostenrijkse Janine en Manuelo, twee Australiërs, één Italiaan en zes Koreanen. Dat is zo grappig, die Koreanen zijn kleine mannetjes, ze dragen kleine rugzakken, die volgens mij bijna leeg zijn en ze lopen heel snel met kleine stappen. Een van hen heeft een vlag bij zich van de camino en iedereen moet daar zijn naam opzetten en het land van herkomst. Geinig is dat.

Grimaldo bestaat uit een stuk of vijf huizen, de albergue en bijbehorende bar. Tussen de middag hebben we met zijn vijven in die bar gegeten. Hier kun je net zoveel wijn drinken als je wilt, dat zit bij de prijs van het eten inbegrepen. Ze zetten vandaag drie flessen wijn op tafel, geen beste trouwens. Manuelo was zo slim om één fles meteen onder de tafel te zetten, want tussen de middag met z’n vijven drie flessen is toch wat veel. Nu hebben we vanavond ook nog iets te drinken. “Na drie glazen wordt de wijn vanzelf lekker”, zegt Manuelo.

Ik mag Margrit graag een beetje pesten, omdat ze een echte regeltante is en me steeds ‘overhoort’ over kurkeiken, steeneiken en wat er zoal meer is. Ze weet trouwens ontzettend veel en spreekt maar liefst zes talen. Nu heeft Margrit aan Anita gevraagd of alle Hollandse mannen net zo plagerig zijn als ik. En de Oostenrijkers noemen me tegenwoordig ‘Don Theo’, omdat ik elke dag na gedane wandeling een grote sigaar rook.
Maar Janine heeft wel voor mij gewassen (jawel, we hebben alweer een wasmachine) zodat ik het alleen maar op hoef te hangen.
De zool van mijn rechterschoen heeft losgelaten. Ik had de lijm nog bij me, die ik vorig jaar gekocht heb voor hetzelfde euvel, dus ik heb vanmiddag onder het toeziend oog, wijze adviezen en de zegen van allen zitten plakken. Nu staat-ie te drogen onder een gasfles, dus ik ben benieuwd.

O ja, van de twee Duitse vriendinnen is er eentje hopeloos verliefd geworden op de Spanjaard en laat dat duidelijk merken ook. Ze lopen de hele dag te knuffelen en dat is voor de nog ‘loslopende’ vriendin natuurlijk niet echt leuk. Dus wij hebben ons met zijn allen over haar ontfermd.
Jullie zien, de stemming zit erin!

Gery vertelde dat een buurman bij haar was komen informeren hoe het met de ‘landloper’ ging. Marnix was van mening dat ik deze camino weinig filosofische wijsheden debiteer en dat het meer ‘leve de lol’ is.
Kijk, dat kan ik natuurlijk niet op me laten zitten, dus hier komt-ie:
“Of je nu een pelgrimerende landloper bent of een landlopende pelgrim, het blijft om het even, leuk is het!”

Elke camino is anders

Zo, vandaag een stevige tippel gemaakt van 25 km. Vanmorgen toen we vertrokken, waren overal gitzwarte luchten en geen snippertje zon, dus we verwachtten het allerergste. Maar onderweg werd het weer steeds beter en uiteindelijk bleek het gewoon ideaal weer om te lopen: niet te warm, niet te koud.
De tocht ging door een adembenemend mooi gebied. We liepen op een plateau en aan beide kanten keek je in de diepte en je kon heel ver weg zien. Vanuit de verte kon je het stuwmeer in de Taag zien en Canaveral 40 km verderop zag je aan de horizon. Het landschap is golvend en overal grazen kuddes. Het was fantastisch!

Elke camino is anders. Deze Via de la Plata is weer heel anders dan de Camino Portugues van vorig jaar. Deze camino is drukker wat pelgrims betreft, het land is veel ruiger, het weer veel wisselender, de afstanden per dag zijn langer. De plaatsen liggen veel verder uit elkaar. Vorig jaar vond ik het land soms eenzaam en verlaten, maar nu is het nog veel eenzamer. Er zijn hele stukken waar je geen dorpen ziet, niet in de nabijheid, maar ook niet in de verte. Dat is weer een bijzondere gewaarwording, want in Nederland zie je altijd wel een dorp of kerktoren in de verte. Het is niet zo dat de ene camino mooier is dan de ander, juist omdat elke camino totaal anders is en ze niet met elkaar zijn te vergelijken.

Het is op deze camino dan wel drukker, maar van het clubje pelgrims dat er was, is alleen Margrit nog over, dus moet ik nu weer nieuwe kennissen opdoen. Dat gaat meestal vanzelf, je komt elkaar weer tegen in de albergue of refugio en iedereen deelt zijn belevenissen met de rest, en iedereen praat met iedereen. Ook dat is bijzonder.

Ik zit hier nu in een albergue, een betrekkelijk nieuw gebouw, maar het allermooiste is het uitzicht. Het gebouw staat op een heuvel en ik heb uitzicht op een heel groot stuwmeer in de Taag met allemaal kleine eilandjes erin en zo.
Voor het geval dat jullie nu denken: “Wat is hij lyrisch”, even terug naar de praktische voordelen van deze albergue: Je kunt je eten meenemen en hier opwarmen in de magnetron of in een gewone oven en…. er is een wasmachine. Per kamer hebben we de wasjes bij elkaar gedaan en zo draait mijn wasje lustig in het rond, terwijl ik met Maguerite en de beheerster op het terras van de albergue een fles wijn soldaat maak en mijn sigaartje rook.
Zo is het wel uit te houden toch?

Met de bus? Nee, lopen

Gisteravond regende het zo verschrikkelijk hard en waren de weersvooruitzichten zo slecht, dat Margrit en ik besloten vandaag niet te gaan lopen, maar de bus te nemen naar Canaveral en dit stuk dan maar over te slaan. Margrit reserveerde meteen kordaat een kamer daar. De bus vertrok pas om één uur, dus we konden uitslapen. Dat hebben we ook gedaan.

Om negen uur zaten we dus aan het ontbijt op ons gemak, keken naar buiten, waar het nog droog was. We keken elkaar eens aan, zeiden tegen elkaar: “Toch wel jammer, dan zien we het stuwmeer van Tajo ook niet” en besloten vervolgens toch maar te gaan lopen, tenslotte hoeven we maar 11 km.
Dus de kamer weer afgebeld en op weg.

Er waren heel veel donkere wolken en regelmatig trokken wij uit voorzorg onze jassen aan, maar dat was niet nodig geweest, het is namelijk de hele weg droog gebleven en het is nu nog droog. Zo zie je maar, vertrouw de buienradar niet!

Om kwart voor twee waren we in de refugio in Casar de Caceres, maar daar was het zo’n verschrikkelijk smerig zooitje, daar wil je hond nog niet slapen. Dus we zijn nog een paar kilometer doorgelopen naar de N 630 en daar vonden we een goed hotel. Ik heb nu een heerlijke kamer met badkamer.
Ik heb tussen de middag heerlijk gegeten met een fles wijn van € 8 erbij …..uit de kunst! En zo’n prijsje vind je niet in een Nederlands restaurant. Ik heb nog een restje voor vanavond.
Verder is hier echt helemaal niets te beleven dan een beetje zitten, dus ja…. dan moet ik vanavond maar weer gaan eten. Zielig, hè?!!!

Ik heb nu zo langzamerhand stevige wandelbenen gekweekt en het buikje slankt lekker af. Met mijn voeten gaat het ook prima. Ik heb een blaar gehad op het kleine teentje van mijn rechtervoet. Dat plekje is nu een beetje gevoelig, maar als ik er een pleister opplak, voel ik er niets meer van!
Kortom, het gaat lekker en ik heb het weer uitstekend naar mijn zin.

Foto

Foto-Theo-Margrit-enz-web

Sta ik er niet mooi op? Douglas heeft deze foto gemaakt gisteravond tijdens het eten. We hebben erg veel plezier gehad. Margrit en ik hebben samen een toneelstukje gedaan over het feit dat wij de hele winter iedereen die het maar horen wil, vervelen met onze dia’s, films en verhalen over de Camino en hoe de mensen dan reageren. “Ja”, zei Margrit, “dan heb ik 40 km gelopen en dan vragen ze of er dan geen bus reed”. “Dan zie ik bij de honderdste dia hoe de mensen gaan geeuwen, maar dat kan me niks schelen, ik roep gewoon: “Volgende dia”, ze moeten het doorstaan of ze willen of niet”, enz. Dat herkenden we allemaal, dus dat was lachen. Buiten was ondertussen weer feest. Er werd een voorstelling gegeven over Sint Joris die de draak versloeg en dat ging met veel geluid gepaard. Sint Joris is de beschermheilige van Caceres.

Vanmorgen heb ik dus een taxi genomen terug naar Valdesalor en daar heb ik uitgebreid op mijn dooie gemak zitten ontbijten. Op een gegeven moment zag ik donkere wolken aan komen drijven, dus toen ben ik maar snel gaan wandelen. Het was maar 12 km, om half twaalf begon het te regenen en om twaalf uur was ik weer in Caceres. Om half een was het alweer droog.

En daar was het ook vandaag weer een vrije dag ter ere van de naamdag van Sint Joris. Er was een soort parade voor het stadhuis met de burgemeester pontificaal middenin. Plotseling gingen toen de balkondeuren van het gemeentehuis open en verschenen er herauten die wild met vlaggen stonden te zwaaien. Iedereen genoot!
Na het eten ben ik de stad gaan bekijken. Caceres is een prachtige Middeleeuwse stad, in 300 zijn de Westgoten begonnen met de bouw van de eerste kerk. Toen de Moren hier heersten, werd van de kerk een moskee gemaakt, maar later is de stad weer door de Katholieken heroverd.

Verder heb ik een lekker dutje gedaan tot Margrit en Silvia meldden dat ik mijn was bij hen op het balkon kon hangen. Dus tegelijk het sein om weer op te staan en lekker buiten een sigaartje te roken. Overal hoor je hier het geklepper van de ooievaars. Het wemelt er hier van, op alle kerken, op hoge gebouwen, enz. Volgens de mensen hier gaan ze ook niet meer weg om ergens anders te overwinteren.
Ik heb gewoon een blouse met korte mouwen aan, maar de Spanjaarden lopen in vest, trui of jas, want ‘het is koud’, dat wil zeggen 22 graden. Je ziet nu precies wie de toeristen zijn. Die zijn hier niet zo gek veel, want de provincie Extramadura is een beetje een ondergeschoven kindje, zoiets als Noordoost-Groningen bij ons. Ze stellen het nog echt op prijs als je de streek komt bezoeken.

Wat ik ook elke dag weer een feest vind om te zien en wat je in elke plaats tegenkomt, is wat ik bij mezelf noem: ‘de parade’. Om een uur of zes komt de plaats tot leven en verschijnt iedereen in zijn mooiste kleren, de mannen keurig in het pak, de vrouwen in hun mooiste jurk en elegant met hun waaier zwaaiend. Dan wordt er door de straten gelopen, praatjes gemaakt, enz. Leuk om te zien is dat.

Douglas is vandaag met de bus verder gegaan, Silvia gaat morgen naar huis, dus dan blijven Margrit en ik over. Ik zie net het Nederlandse stel uit Steenderen lopen, dus op de een of andere manier kom je elkaar steeds weer tegen!

Ik wens jullie morgen een leuke Koninginnedag!

Met de klok mee of tegen de klok in

Gisteravond heb ik een indrukwekkende mis bijgewoond in het klooster. Bij de mis was uiteraard een officiële pastoor, maar ook de patiënten van de psychiatrische inrichting, waarvan een aantal ook daadwerkelijk bijdroegen aan de mis. Als je dan het enthousiasme ziet, waarmee de mensen bezig zijn. Ik vond het ontroerend en indrukwekkend. Heel goed om mee te mogen maken.

Het was vandaag een stevig stuk wandelen tot Valdesalor: 27,5 km. We liepen met zijn vieren: de Zwitserse Margrit, nog een Zwitserse van wie me de naam nu even is ontschoten, Douglas en ik. Maar het was prachtig weer, zo’n 28 graden en de route was ook schitterend. Het landschap is heel wijd, het lijkt een beetje op een Amerikaanse prairie, maar omdat het nog vroeg in het jaar is, is alles groen en staan er ontzettend veel bloemen. We zagen ook nog een groep gieren en ooievaars met van alles en nog wat in hun bek, want die zijn druk bezig met nesten bouwen.

Milliaria-web

We liepen weer over een Romeinse weg met de originele bruggetjes nog en originele milliaria, dat zijn Romeinse mijlpalen. Behalve dat het aantal mijlen naar de dichtstbijgelegen grotere plaats erop staat, staat er ook de naam van de keizer op onder wiens bewind de weg is aangelegd.

We ontmoetten ook weer de drie Fransen, maar die lopen gigantisch hard en veel, wel 40 km op een dag. Gisteren waren ze rechtstreeks vanuit Merida gelopen (daar heb ik twee dagen over gedaan) en vandaag liepen ze door naar Caceres. Nou, wij niet, wij hebben volgens plan in Valdesalor een taxi genomen naar Caceres, een vrij grote stad, groter dan ik verwacht had.
Bij het binnengaan van de stad kwamen we langs een Spaanse molen, die niet draaide en dat gaf me de gelegenheid mijn medepelgrims mijn ‘molenprobleem’ voor te leggen. Ik zal het jullie ook even uitleggen, wellicht weet iemand het antwoord:

In Nederland draaien de moderne windmolens met de klok mee, maar de originele, oude molens draaien tegen de klok in. Mijn ‘probleem’ is nu: Is daar een reden voor en is dat in andere landen ook zo? Draaien daar de molens ook tegen de klok in? Ik vraag me dit al de hele winter af, want ik wist niet meer welke kant de Spaanse molens op draaien. Nu heb ik nog geen molen zien draaien, tijd dus om dit op tafel te leggen.
Het was geweldig, want nu is het een ‘hot item’ en vraagt iedereen zich af welke kant de molens in zijn of haar land op draaien. Jullie zien dus dat hier ernstige gesprekken worden gevoerd. We hebben het er maar druk mee.

Mijn hotel is eenvoudig, er is een wastafel op de kamer, maar die geeft alleen koud water. Ik heb nog niet alles bekeken, hoop wel dat er op de gang een douche en toilet is. Nou ja, daarom niet getreurd.
Morgen neem ik weer een taxi terug naar Valdesalor en ga daar vandaan weer naar Caceres lopen. Ik heb deze kamer voor twee nachten, dus ik kan morgen met een bijna lege rugzak op stap. Bovendien is het maar 12 km. Dus het zal morgen geen ‘lijdende pelgrim’ zijn die over de Spaanse wegen huppelt!

Niño muerto

Vandaag heb ik de hele dag samen gelopen met Douglas, de Canadees. We hebben ongeveer hetzelfde tempo, dus dat is wel lekker. Het was een prachtige tocht door een schitterend natuurgebied met kurk- en steeneiken. De eikels van die steeneiken worden opgevreten door de varkens. Men zegt dat ze hierdoor van die goeie ham leveren! Er schijnen ook heel veel roofvogels te zitten, maar ja, daar heb ik niet veel verstand van, dus die soorten kan ik niet uit elkaar houden. Onderweg zag ik soms voor of achter me de mensen, met wie ik vannacht in Aljucen heb geslapen. Vaak lopen we natuurlijk dezelfde afstanden ongeveer, met uitzondering van de fietsers. Vooral na aankomst is dat gezellig.

Onderweg kwamen we voorbij een kruis, dat officieel het kruis van ‘San Juan’ heet, maar door iedereen betiteld wordt als het kruis van ‘niño muerto’, het dode jongetje. Het wordt zo genoemd omdat er op de naamdag van San Juan een jongetje door de wolven is opgegeten. Wij vroegen ons af waarom dat jongetje zo ver van huis was, maar dat vertelt het verhaal uiteraard niet.

Ik slaap dit keer in een klooster. Aangezien de broeders hier van een siësta houden, gaat de poort op slot van half drie tot half vijf. Wie binnen is, kan dus niet naar buiten en wie buiten is, kan er niet in.
Om half acht vanavond kunnen we hier eten en dan gaat om negen uur weer de poort dicht tot morgenochtend zeven uur.
Eerst vond ik dat wel wat overdreven streng, maar in het klooster is een psychiatrische inrichting, waar ongeveer vijfenzeventig mensen door de broeders verzorgd worden. Dan is het ook wel logisch dat de regels wat streng zijn, anders wordt het een bende natuurlijk. Overigens betalen de broeders dat uit eigen middelen, ze krijgen geen geld van de staat of zo.

Nu moet ik even iets opbiechten. Er is hier maar één kamertje, verder een slaapzaal met bedden. Slinks heb ik het toen op snurken gegooid en ….. nu heb ik dat kamertje! Dus de list werkte voortreffelijk.

Morgen wandel ik 26 km naar Valdesalor. Naar Aldea del Cano is maar 15 km en dat vind ik te weinig. Bovendien schijn je daar op een betonnen vloer van het stadion te moeten slapen en daar ben ik te luxe voor geworden. In Valdesalor zijn echter maar vier slaapplaatsen of zo, dus nu hebben we met onze Duitse vriendinnen afgesproken dat we daar op elkaar wachten en dan gezamenlijk een taxi nemen naar Caceres. Daar hebben de dames al een kamer voor me besproken, dus dat komt helemaal goed. De dag daarna laat ik me dan wel weer terugbrengen om alsnog de 12 km van Valdesalor naar Caceres te gaan lopen.
Ziehier de vindingrijkheid van de pelgrim.

Als een vorst

Goed, geen Caesar dan, maar vandaag liep ik wel als een vorst over de weg. Petje op, korte broek, sigaartje erbij en dan ook nog in een schitterende omgeving. Nou, dan heeft een mens toch niets meer te klagen. Het enige was dat ik wel zeven café’s heb gepasseerd die allemaal dicht waren, maar ook daarvoor kwam een oplossing.

Ik kwam langs een stuwmeer dat nog door de Romeinen is gebouwd. Dat waren toch knappe koppen, hoor. Ze haalden het water uit het meer en dat ging dan via een aquaduct naar Merida, zodat ze daar volop water hadden. Je zou het systeem zo weer in gebruik kunnen stellen, alleen het aquaduct is niet meer te gebruiken, daarvan zijn alleen nog resten. Op die resten broeden nu de ooievaars, ik heb wel tien nesten gezien.

Merida-aquaduct-web

Bijna aan het einde van het stuwmeer stond aan de kant van de weg een Nederlandse camper, dus ik zei netjes: “Goeiemorgen”. Nou, een en al verbazing natuurlijk en meteen een praatje. Het waren mensen uit Breskens en ik kreeg meteen koffie en een croissantje, dus ik had helemaal geen café meer nodig. We hebben gezellig een half uurtje zitten praten en voor ik verder ging, heb ik ze op de film gezet. Mevrouw haalde de protestvlag van West Zeeuws-Vlaanderen erbij, die moest ook op de film. Zeeuws-Vlaanderen protesteert, want de inwoners willen niet meer betalen voor de tunnel. Dus dat was even plezierig.

Om half een was ik in Aljucen, een dorp waar echt helemaal niets is. De enige winkel gaat om één uur dicht en verder is er nog één restaurantje of eigenlijk meer een bar. Ik zit nu in een albergue, de enige slaapgelegenheid. Hotels zijn weliswaar comfortabeler, maar het leuke van een albergue is wel dat je veel andere pelgrims ziet. We ouwehoeren wat af in allerlei talen. Er is een Fransman, Spanjaard, Duitser, Canadees, Oostenrijker, Hollander, enz. De Oostenrijkse spreekt vloeiend Spaans, dus die is steeds de klos als de rest iets wil. De Canadees is een advocaat die net met pensioen is, zijn vrouw gaat binnenkort met pensioen. Ze hebben een huis in Montpellier en bivakkeren een half jaar in Frankrijk en een half jaar in Canada. In zijn familie zitten ik weet niet hoeveel nationaliteiten, zelfs een Hollandse: Bloemsma.

Overigens is dit een keurig schone albergue en….de douche was lekker warm. Want daarover zijn wij, pelgrims uit alle landen, het samen eens: het ergste wat je kan overkomen is dat je ergens aankomt en dat de douche dan koud is! Ik geef toe, in Brussel praten ze over andere Europese problemen, maar op het gebied van warme of koude douches sluiten de rijen zich hier en zijn wij allen één!

Caesar Theodoris

Gisteravond hebben we eerst gezellig zitten borrelen met een aantal pelgrims en daarna heb ik gegeten met een Duitser, een meisje uit Geneve, een Spanjaard en ik, dus ik moest allerlei talen door elkaar spreken. De Spanjaard is de man die een beetje Frans spreekt, hij heeft zes omleidingen gehad en rookt als een ketter. Dat mag natuurlijk niet van de dokter, maar “de dokter is nu ver weg en ik ben hier” is zijn filosofie.

Vanmorgen bij het ontbijt heb ik al mijn charmes in de strijd gegooid bij het meisje dat bediende. Ik zei dat ik elke dag wel een engel tegenkwam zoals zij nu. Ze smolt helemaal weg en ik kreeg een extra kuipje roomboter en daar was het me om begonnen!
Toen ben ik gaan lopen en zag de zon opkomen, dat was een erg mooi gezicht. Ook vandaag was het weer een kaarsrechte weg, kilometer na kilometer, eindeloos. Na 16 km kwam ik aan in Merida over een zeshonderd meter lange, oude Romeinse brug. Ik voelde me net Caesar Theodoris aan het hoofd van zijn legioenen. Aan de overkant van de brug is dan nog een muur met een poort van de Moren.

Merida is echt een schitterende stad, in het centrum zijn nog een Romeins theater, een amfitheater en een Romeinse triomfboog. Heel erg mooi.
Als je eens nagaat wie hier allemaal gezeten hebben: eerst de Iberiërs, toen de Romeinen, daarna West-Goten, de Moren en uiteindelijk de Katholieke koningen, dan zie je hoeveel verschillende culturen dat waren en iedereen liet wel iets van de eigen cultuur achter.
De weg mag dan soms wel mooi, maar wat saai zijn, de plaatsen waar je komt maken heel veel goed.

Ik heb trouwens tot nu toe op de Camino de la Plata nog geen Sint Jacob gezien. Ik loop over een oude Romeinse weg en zie ook veel dingen van de Romeinen, dus die hebben het hier gewonnen van de Katholieken. Volgens insiders begint het na Salamanca pas een echte Sint Jacobsroute te worden, dus eigenlijk ‘doe’ ik nu ook verschillende culturen in één route.

Omdat ik al om twaalf uur gearriveerd ben, heb ik vanmiddag al een stuk van de stad bekeken. Vervolgens weer terug naar mijn hotel voor de dagelijkse beslommeringen: wasje, rugzak inpakken, etc. en nu ga ik straks nog even een kerk bekijken en dan zullen de andere pelgrims inmiddels ook wel weer de stad indruppelen. Die slapen in de refugio, maar die ligt een eind buiten de stad en ik wilde de stad zien, dus heb weer luxe voor een hotel gekozen. Ja, de welvaart sluipt bij mij binnen!!

En zie…..de zon

Gisteravond heb ik in het hotel gegeten en naast me zat een stel uit Emmerich, dus ‘we waren buren’, vonden ze.
Het was erg gezellig, alleen was de man erg ongerust dat we in de volgende plaats, Torremejia, geen slaapplaats zouden hebben, want volgens zijn gidsje was er maar één hotel. En zoals een Duitser betaamt: als het in het gidsje staat, is het zo, daar doe je niets bij of af. Van schrik heeft hij de hele avond op zijn ipod zitten zoeken, maar ja, hoe hij ook zocht, daar kwam geen hotel bij.

Vanmorgen was ik om half zeven weer op, nadat ik lekker door de disco heen heb geslapen. Dat stelde niet veel voor, dus daar heb ik geen last van gehad. Volgens het weerbericht was het vandaag mooi weer. Aangezien je in het hotel niet kan ontbijten, dacht ik: “Dat doe ik onderweg wel in een café”, stapte welgemoed zonder regenkleding naar buiten…… waar het werkelijk hoosde van de regen. Ik had geen zin om nou alles weer af te laden om mijn regenkleding aan te doen, maar was dus wel alweer kleddernat toen ik in het café kwam. Daar stond de tv aan en kwam juist het weerbericht. Voorspelling: “Vandaag overal droog en zonnig”. Het hele café joelde, want iedereen was kletsnat.

Maar na een half uurtje lopen werd het zowaar droog, het bleef eerst nog wat donker, maar na een poosje was hij er dan toch weer….DE ZON. Poncho uit, petje op. Nou begint het weer ergens op te lijken! En het is de hele dag mooi weer gebleven, precies goed, zonnetje, niet te warm, niet te koud, fris windje.
Dus daar liep weer een tevreden pelgrim over de weg. Nou, liep??? Dat was het niet helemaal de eerste 4 km. In de gids stond dat het eerste stuk glad, glibberig en plakkerig was. Ik geloof niet alles wat er in de gids staat, maar het was erg glad, glibberig en plakkerig. Binnen de kortste keren zag ik er niet meer uit, overal modder. Alle pelgrims die ik ontmoette onderweg, zagen er even verschrikkelijk uit. Ik heb een poosje gesproken met een Nederlands stel uit Steenderen, dat ook in Sevilla vertrokken is en dezelfde route loopt, maar zij nemen tussendoor veel meer dagen vrij.

Enfin, na die eerste 4 km werd de weg stukken beter, dus heel prettig om op te wandelen. Het was een kaarsrechte weg de volgende 20 km, met onderweg geen enkele plek waar je water kon tappen, geen huis, geen dorp, geen bomen, niets!
“Kijk”, dacht ik toen, “als je dit stuk moet lopen als het 35 graden is, ga je dus helemaal kapot hier”. Als je een paar dagen in de regen loopt, vergeet je gauw hoe warm het vorig jaar was. Toen liep ik te snakken naar een buitje.

Om kwart over twee arriveerde ik in het hotel in Torremejia. Volgens de gids een eenvoudig hotel, ik zou zeggen ‘zeer eenvoudig’, maar ik heb wat ik nodig heb.
Voor een terrasje is het nog iets te fris, maar als het weer verder zo blijft, ben ik dik tevreden en hoor je mij niet meer klagen.

Weg met die buienradar!

Laat ik beginnen met jullie een indruk te geven hoe ik er vandaag bijliep, dan hoeven we het verder niet meer over het weer te hebben.

Bij vertrek moest de poncho al aan, om een uur of tien zat mijn broek tot aan de knieën onder de modder en een kilo slijk onder de zolen van mijn schoenen, want dat spul blijft plakken. Zo liep ik ook hele stukken door nat zand. Daar zak je een beetje in weg en dat loopt dus moeilijk. Zo, nou weten jullie waarom ik de buienradar niet meer geloof.
Alle pelgrims die ik onderweg ontmoet zien er net zo uit als ik en iedereen is koud tot op het bot, dus er worden heel wat grappen gemaakt om de moed erin te houden. Ik ben een stukje met een Spanjaard uit Tarragona opgelopen. Die sprak aardig Frans, want hij kent Catalaans en dat lijkt wel wat op Frans. Dus dat was gezellig. Er was een koffiestop in Los Santos de Maimona, althans volgens de gids, maar ja, het is zaterdag en ook nog heilige week, dus alles was gesloten.

Jullie denken nu misschien: “Wat een klaagzangen over het weer” en dat is natuurlijk ook niet leuk, maar als ik dan eenmaal weer in een hotel ben, lekker gedoucht heb en dus weer warm en schoon ben, is het leven weer helemaal prima en heb ik het alweer uitstekend naar mijn zin. Gery meende op te moeten merken dat ik nu ook thuis op mijn zonnebed had kunnen liggen en ik mag van haar zo naar huis komen als ik het niet meer leuk vind. Dat weet ik en ik had het vandaag zo koud dat ik wel een half uur onder de hete douche heb gestaan, maar terug om op mijn zonnebedje te liggen?? Mooi niet!!

Om even over tweeën was ik in Villafranca de los Barros en ja hoor, toen ik de stad inliep werd de regen minder en nu is het droog.
Ik was op zoek naar onderdak en zag een paar mannen die buiten een sigaretje stonden te roken, dus vroeg waar ergens onderdak was. Nou, dan moest ik maar even de bar in gaan, want die hadden een lijst met overnachtingsplaatsen. Ik stapte naar binnen en daar stond mijn Spanjaard uit Tarragona weer. Die had net een pension gereserveerd, dus ik ben met hem meegelopen in de hoop dat er misschien nog een plaatsje voor mij ook was.

Helaas ving ik bot, maar ze hadden wel een ander adres, een hotel in de stad. Dus ik weer terug de stad in naar het hotel, maar daar wilden ze me eerst niet hebben. Ja, toen ben ik me maar een beetje op zijn Spaans aan gaan stellen, dat ik zo moe was en zo koud, ach, ach, ach. “Ja, maar we willen geen gasten, want vanavond om twaalf uur begint hier een grote disco-avond en dat wordt te lawaaiig”. Nou, ik heb plechtig verklaard dat dat me niet kon schelen en dat ik niet zou klagen en toen mocht ik blijven.
Ik heb tenslotte vorig jaar ook al met dat bijltje gehakt en ook al slaap ik waarschijnlijk slecht, ik heb een bed en kan dan in ieder geval lekker liggen.

In de cafetaria van het hotel heb ik een lekkere schotel gegeten met van alles en nog wat voor € 6, dus ik ben weer helemaal boven Theo! Vanavond probeer ik dan vroeg te gaan slapen, zodat ik al een goede tuk gedaan heb voor het lawaai losbreekt. Morgen heb ik 27 km voor de boeg. Het zal wel weer regenen, maar ik blijf hopen………….

Weer in Zafra

De refugio, waarin ik vannacht heb geslapen, zit in een oud klooster en daarin is ook een informatiecentrum over een heel beroemde Spaanse schilder van religieuze onderwerpen: Francesco de Zurbaran. Die is in Fuento de Cantos geboren, vandaar dus dat centrum.
Gisteravond heb ik gezellig gegeten met twee Duitse dames, terwijl buiten de processie aan de gang was. Onder het eten begon het weer gigantisch te regenen, zodat de hele processie de kerk in vluchtte.
Ja, de regen is nog niet uit de lucht, merkte ik vandaag.
Het eerste stukje was het zowaar droog, maar na een uur gingen de hemelsluizen weer wijd open. Ik ben een stuk opgelopen met een Zwitser, die liep een eindje voor me uit en begon ineens wild met zijn armen te zwaaien en te wenken. Ik dacht: “Wat zou er zijn?”, maar het bleek dat hij voor een beek stond, waarvan mijn gids meldde dat er in de zomer misschien nog wel eens een beetje water onderin kon staan. Nou, als dat allemaal voor de zomer nog op moet drogen, mag de zon wel heel hard schijnen, want het was gewoon een brede kolkende rivier geworden, waar je met geen mogelijkheid doorheen kon, ook niet met je schoenen uit. Op datzelfde moment verschenen er aan de overkant ineens een paar pelgrims die wezen dat er een eind verderop een brug was. Dus sopten wij een kilometer in de regen door hoog, zeer nat gras en dan is een kilometer best lang. Maar zowaar, er was een brug, waar we overheen konden. Alleen waren er aan de overkant geen mooie gele pijlen, omdat we uiteraard van de route waren afgeweken. Het gevolg was dat we hopeloos zijn verdwaald en net zolang hebben rondgelopen tot we op een grote weg kwamen. Om verdere dwaaltochten te voorkomen, hebben we vervolgens die weg maar aangehouden. Minder mooi, maar wel de kortste en dat is wel zo prettig met dit weer, want nu loop je echt niet voor de lol.
Het werd echter wel prettiger. Op een gegeven moment, ongeveer 8 km voor Zafra, moest ik linksaf en opeens rijdt er een gigantische BMW naast me, die een eindje verder stopt en terug komt rijden. De man stapt uit en vraagt waar ik naar toe moet. Ik meld hem: “Eerst naar Pueblo de Sancho Perez en dan nog door naar Zafra”. Hij hoort natuurlijk dat ik geen Spanjaard ben en vraagt of ik Duits versta. Vervolgens begint hij in keurig Duits tegen me te praten. Hij heeft een opleiding gevolgd in Noord-Duitsland en spreekt goed Duits. Hij vertelt dat ze in die tijd uit gingen naar Sappemeer (of all places in the world). “Nou, stap maar in, je kunt meerijden tot Pueblo”, zegt hij en dat doe ik. Lekker even droog zitten. We zitten zo gezellig te praten, dat hij in Pueblo zegt: “Nou, ik vind het leuk om weer eens Duits te kunnen spreken, dat doe ik nooit meer, dus ik breng je wel even naar Zafra”. Ik heb dat aanbod dankbaar aanvaard en zodoende werd deze zielige, arme pelgrim dit keer door een fraaie BMW voor de deur van mijn hotel afgezet!!
In het hotel bleek mijn kamer nog niet klaar te zijn, maar ik kreeg een pilsje en tapas aangeboden aan de bar, dus dat was geen probleem. Toen moest ik nog eten, het was inmiddels al half vier, dus ik dacht: “Er zal wel niet veel meer te krijgen zijn”, maar nee, er was gewoon nog van alles en om vier uur stapten nog mensen binnen om …. te lunchen.
Gisteren had ik een praatje met een advocaat die Engels sprak en die zei dat Spanje echt erg moet veranderen en meer Europees moet gaan denken. “Als Europa aan het werk is, gaan wij slapen”, zei hij en vertelde vervolgens dat hij hoog opgeleide sollicitanten krijgt met alle kennis die nodig is tot het moment waarop hij vraagt of ze Engels spreken. De meesten moeten dan afhaken.
Hij heeft natuurlijk gelijk, maar aan de andere kant, in Portugal spreken ze wel meer talen, maar daar gaat het nog slechter.

Had ik het maar niet gedaan

Ik heb gisteravond een luisterrijke avond gehad. In Zafra was een processie. Er stonden een heleboel mensen aan de kant van de weg en ik vroeg hoe laat de processie begon: om half negen. Nou, daar kon ik wel even op wachten. Maar het werd half negen…niets te zien…het werd negen uur….niets te zien…het werd kwart over negen….niets te zien. Ik vroeg aan de jongen die naast me stond en een beetje Engels sprak: “Hoe laat is het in Spanje half negen?” Dikke pret natuurlijk en de jongen dacht dat het misschien wel morgenochtend om half negen zou kunnen zijn. Maar nee, om half tien was de processie dan toch in aantocht. Allemaal figuren in het wit gehuld met een witte puntmuts op en een masker voor, precies de Ku Klux Klan van vroeger. Allemaal devoot een kaarsje dragend, meest jonge meisjes, maar als die dan een vriendje of vriendinnetje zagen gingen hup het masker en de puntmuts af. Door de ene straat werd Maria gedragen en vanuit een andere straat kwam eenzelfde stoet met Jezus en die ontmoetten elkaar precies op het kruispunt waar ik stond. En daarbij was er heel luide, heel erg luide muziek. En iedereen stort zich er met hart en ziel in en staat te genieten. Ik vond het geweldig. Dicht bij mij stonden een paar vrouwen tegen de muur van een huis geleund. Alle huizen zijn hier wit en dat had afgegeven zodat ze allemaal een witte rug hadden. Ik zei dat ze nu allemaal ‘heilige witte maagden’ waren (die bestaat hier namelijk) en toen kon ik niet meer stuk.

Processie-Zafra-web

Het gevolg was wel dat ik om half elf nog moest gaan eten. Thuis zou ik dan al bedwaarts gaan. Maar goed, uiteindelijk ben ik toch in bed beland en heb heerlijk geslapen.

Vanmorgen heb ik om tien uur de bus terug genomen naar Monesterio om de route te vervolgen. Alsof de duvel ermee speelde, begon het weer te regenen en heeft het de hele dag gestortregend!! Kijk, dan wil je een brave pelgrim zijn en dan word je zo beloond. Had ik het maar niet gedaan.

Het was erg jammer dat het zo regende, want op zich was het een prachtige route, echt door de middle of nowhere. Hier liggen de dorpen erg ver uit elkaar en het land is leeg en ruim. Geen dorpen is niet zo erg, maar geen dorpen betekent ook geen café’s en dat is minder leuk, want met dit weer ga je ook niet ergens even op een bankje zitten. Ik kwam op een gegeven moment een Oostenrijks stel tegen, dat onder een boom stond te schuilen. “Ik wil terug”, zei het meisje, “want hij heeft wel regenkleding, maar ik niet. Dan geeft hij het wel aan mij, maar nou wordt hij drijfnat”. Voordat jullie nu gaan roepen wie er dan ook zo stom is om geen regenkleding mee te nemen, even het volgende. Het meisje had op internet gekeken en geconstateerd dat er in Spanje in april maar 2 mm regen valt. Aangezien iedereen haar ernstig had gewaarschuwd zo weinig mogelijk mee te nemen, dacht ze: “Nou, voor die paar buitjes hoef ik geen regenkleding mee te nemen”. Mis dus.
Maar ik had dit ook niet verwacht, want in alle gidsjes heb ik gelezen dat het hier zo heet is, wel 50 graden in de zomer en overal werd gewaarschuwd, dat je een dubbele hoeveelheid water mee moet nemen, omdat er onderweg niets is. Nou, die dubbele hoeveelheid water kwam rechtstreeks uit de hemel vallen, ik heb geen slok gedronken!

De route liep door een aantal beken, die door al het water zijn veranderd in kolkende rivieren. Als ze niet te diep zijn, kun je er met schoenen aan doorheen, maar ik heb vandaag ook een paar keer aan de ene kant mijn schoenen en sokken uit moeten trekken. Dan mijn onontbeerlijke crocs aan, door de beek waden, aan de andere kant afdrogen en de schoenen weer aan. Op de weg zoek je de droogste plekken om te lopen. Dat is in het midden of helemaal aan de zijkanten. Alleen is daar ook een hoop modder, dus iedere keer glibber je weer naar beneden de plas in.
Ik liep dus te ploeteren en te sjouwen en te glijden, toen er eerst twee honden uit het bos kwamen en vervolgens een man, voorzover ik begreep een herder, hij had het steeds over ‘pastore’. Die vroeg waar ik heen moest en toen ik dat zei, zei hij: “Nou, dan moet je nog twee uur!”

Ach ziet, welk een ontberingen komt deze pelgrim tegen op zijn pad!
Maar als troost zit ik nu hier in Fuente de Cantos in een schitterende refugio. Geen stapelbedden, er staan heerlijke banken om lekker te kunnen zitten, morgenochtend is er ontbijt en… voor een € 1 kun je de was in de wasmachine doen en voor nog een euro ook nog in de droger. Wat een weelde!!

Natuurlijk is het leuker als het mooi weer is en droog, maar ik heb het nog steeds en weer fantastisch naar mijn zin!

Dat zul je nu altijd zien

Vanmorgen bij het opstaan kletterde de regen tegen de ruiten en gutste het water door de straten. Dus dat werd de bus. Ik had zodoende alle tijd om toilet te maken, maar helaas, het fonteintje zat verstopt en dat was zo vies, dat ik mijn tanden niet heb gepoetst en me niet heb geschoren. In de stromende regen naar de bus. Die kwam keurig om half elf aan, Guido en ik stapten in en……….. het werd droog en er scheen zelfs een zonnetje. Dat zul je nu altijd zien. Maar onderweg betrok het alweer en begonnen er weer buien te vallen. We kwamen langs een stuk grond, zo groot als twee voetbalvelden, vol met zonnepanelen. Ja, hier loont het de moeite om zoiets neer te zetten met al die zon. Die zon heeft vandaag verder niet geschenen en er zijn heel wat donkere luchten voorbijgetrokken, maar met de regen viel het eigenlijk nog mee. Achteraf gezien had ik best wel kunnen gaan lopen, maar ja, achteraf…..

De bus deed er niet lang over, na een half uurtje stonden we in Zafra. Zafra is een middelgrote stad met kasteel, kerk, etc. We zijn maar begonnen met een hotel te zoeken en dat viel nog niet mee. Het loopt tegen Pasen, dus het is erg druk. Eigenlijk wilden we in de Parador gaan slapen (zoiets als het Amstelhotel), maar dat leek ons misschien toch iets te prijzig. De pelgrims dienen eenvoudig te blijven. Uiteindelijk hebben we nu een hotel in het centrum van de stad, met bad, tv op de kamer en een goed restaurant erbij voor € 21. Als je nagaat dat het zooitje van gisteren € 20 kostte, is dit een zeer keurige prijs.

Ja, toen was het alweer tijd om een hapje te eten en terwijl ik dat zat te doen, kwamen er allemaal pelgrims langs, dus er zijn er genoeg op deze route. Daarna heb ik een internetcafé opgezocht, maar ik kon helaas geen kaartjes opsturen, want er zat geen aansluiting voor mijn snoertje. Ik kon alleen mailen.

Het is nu kwart over vier en ik zit in een parkje dat geheel leeg is. Er is echt helemaal niemand te zien. Iedereen ligt op bed. Om vijf uur zie je dan voorzichtig weer wat beweging komen en om zes uur gaan de winkels weer open en begint het leven weer. Dat is wel grappig, maar het gevolg is dat ik me dan ’s middags wel een beetje loop te vervelen. Gek is dat, ik wil altijd graag een vrije dag hebben, maar als ik die dan heb, denk ik: “Ik had best kunnen gaan lopen”. Ik heb in dit hotel voor twee nachten geboekt, dus de bedoeling is dat ik hier morgen ook blijf. Ik weet nog niet goed wat mijn plannen zijn verder, terug of doorlopen, dat hangt helemaal van het weer af.
Maar goed, ik doe het ook maar even op zijn Spaans………. morgen zie ik wel verder!!

Regen!!!

Gisteravond heb ik een pizza gegeten in een cafetaria en vervolgens heb ik in een prima bed zo heerlijk geslapen, dat ik me vanmorgen zelfs een beetje verslapen heb. Ik werd pas om tien voor zeven wakker. Na een ontbijt in een café was ik dan toch om acht uur weer op weg.

Ik stak vandaag de grens over van Andalusië naar Extramaduro. Daar moet je nou niet zo licht over denken en je schouders ophalen: “Nou ja, van de ene provincie naar de andere, wat stelt dat nu voor”, want zo eenvoudig is het nu ook weer niet. De grens wordt gevormd door een rivier en daar staat nog de ruïne van een groot kasteel, dat daar gebouwd is om de grens te bewaken. En er staan natuurlijk ook borden zodat je goed weet waar je bent.

Na deze ‘grens’ heb ik over een oude Romeinse weg gelopen, zo’n 10 km lang. Ik ben en blijf lyrisch over die oude Romeinen, ze hebben gewoon een fantastische weg aangelegd; het loopt ook nu nog heel makkelijk en vlot. Het enige minpunt was, dat uit de donkere wolken die ik al een tijdje had zien hangen, nu water begon te vallen. Nou, water?? Zeg maar gerust hoosbuien. Mijn fraaie jack blijft van binnen gelukkig wel droog, maar de poncho, die ik daar overheen heb en over mijn rugzak, is zo lek als een mandje, dus alles wordt toch heel erg nat. Het water loopt dan langs je broekspijpen en je schoenen en dat is echt geen lekker gevoel. Tot overmaat werd de weg na die fraaie Romeinse weg ook wat minder, ik moest de autoweg oversteken en liep vervolgens over een strook, waarbij ik de autoweg aan mijn ene kant had en aan de andere kant de provinciale weg.
Vlak voor mijn volgende overnachtingsplaats Monesterio had ik volgens mijn gidsje een prachtig uitzicht op het kasteel van Monesterio, maar helaas, ik heb er niets van gezien, want het was mistig en het regende pijpestelen.

In Monesterio vond ik een hotelletje. Ik heb een piepklein kamertje en een heel kleine douche, waar het douchegordijn aan je lichaam blijft plakken en de tegeltjes zo hier en daar wat loslaten, maar dat mag me de pret niet drukken. Vooral niet, toen ik bij binnenkomst Guido, de Zwitser, zag zitten. We hebben dus samen gegeten. Morgen gaat hij weer met de bus. Hij doet het om en om, de ene dag met de bus, de andere dag lopen, want, zo zegt hij: “Dan merken ze straks in Santiago niet, dat ik met de bus ben gegaan, want ik heb toch elke dag van elke plaats een stempel”. Geweldig toch? Opgewekt zegt hij dan ook nog: “Ik ben Evangelisch, dus dan mag het wel!”

De rest van de dag is het verschrikkelijk weer geweest. Het regent gigantisch, het water golft echt door de straten. En het is gewoon koud! Ik ben er al op uit geweest om een trui te kopen, maar ze hebben er alleen maar met korte mouwen, dus daar heb ik niets aan. En alle geplande festiviteiten van de semana santa zijn afgelast vanwege het slechte weer, dus Spanje is droevig gestemd.
Kijk, ik hoopte dat het dit jaar niet zo warm zo zijn als vorig jaar, maar dit hoeft nou ook weer niet. Gery meende dan ook nog te moeten melden dat het bij jullie heerlijk weer is, droog en zonnig en temperaturen boven 20 graden. Dat had ze nou niet moeten zeggen!

Maar ondanks het slechte weer heb ik het weer gigantisch naar mijn zin. Vanavond hebben we met zijn vieren gegeten: Guido, een Duitser uit Frankfurt, een Fransman en ik. We hebben heel veel gelachen en een ontzettend gezellige avond gehad.
Het weerbericht voor de komende dagen voorspelt ook niet veel goeds en de tocht van morgen zou via allerlei beken gaan. Dat vind ik toch een beetje te gek worden. Dan loop je alleen maar te soppen en door de modder te sjouwen en daar voel ik niet veel voor. Dus na overleg heb ik besloten om me morgen bij Guido te voegen en de bus te nemen naar Zafra. Dat is een grotere plaats en daar wil ik dan een of twee dagen blijven. Als het weer dan opknapt, neem ik de bus weer terug en ga alsnog vanaf Monesterio lopen. Anders kijk ik wel wat ik doe. Met dit beestenweer is het lopen haast geen doen en tenslotte doe ik dit voor de lol!!

Alleen B in plaats van B & B

Het was ook vandaag van Almaden de la Plata naar El Real de la Jara (mooie namen, hè) maar een kort stuk, zodat ik aan het begin van de middag al in El Real arriveerde. Onderweg was er helaas weer geen uitspanning voor de koffie. Dat is wel jammer, want vandaag had ik alle tijd natuurlijk. Aan de ene kant is het prettig als je ergens vroeg bent, dan kun je alles op je gemak doen. Maar in El Real is niet veel te zien, dus dan duurt de middag lang. Zo zie je, een pelgrim heeft altijd wel iets om over te klagen.

Ik was van plan om naar de herberg te gaan, omdat de refugio ver buiten het dorp ligt. Toen ik het dorp inkwam, kwam er vanuit de tegenovergestelde richting de Zwitserse pelgrim. Dus ik vroeg waar hij sliep. “In Carmen”, zei hij, dus daar heb ik toen ook maar onderdak gezocht en gevonden. Het is een soort Bed & Breakfast, maar hier in Spanje, althans in ieder geval in deze streek, krijg je geen ontbijt, alleen een Bed. Nou, dat geeft niet, morgenochtend zoek ik wel een café voor het ontbijt.

Vanmiddag ben ik op zoek geweest naar een internetcafé of iets dergelijks. Er zou iets moeten zijn in het kantoor van de VVV, maar toen ik daar aankwam, was het gesloten en op de deur hing een briefje dat het weer open zou zijn van 17.00-19.00 uur. Het zag er wel erg verlaten uit.
En ja, ook om vijf uur was er geen teken van leven, dus geen internet. Ik ben er zelfs voor naar de politie gegaan, zoveel heb ik er voor over om jullie commentaar te lezen, maar daar deelden ze me mee, dat er weliswaar bij het VVV kantoor een gelegenheid was…. geweest, maar helaas, het VVV-kantoor was al sinds enige tijd gesloten!! Wel grappig dat zo’n briefje er dan blijft hangen!

Ik ben naar het kasteel van het dorp gelopen om dat te bezichtigen. Er waren overal fraaie borden ‘met dank aan Europa’ voor het restaureren van het kasteel. Inderdaad ja, er waren foto’s van een bouwval en wat ik zag was een keurig gerestaureerd kasteel. Alleen was het van binnen volstrekt leeg, dus de bezichtiging was snel voorbij. En ook historisch gezien betekent het niets, dus als echte Hollander vroeg ik me toch af of dit nou geen weggegooid geld is??

Nou, toen had ik alles wel gezien in het dorp. Morgen schijn ik in een iets groter dorp terecht te komen, dus ik ben benieuwd. Ik heb hier wel een Deense ontmoet, die een jaar in Amsterdam heeft gewoond. Ze had op school Duits geleerd en dacht dat dat ook wel bijna Nederlands was. Maar het enige dat ze in het Nederlands goed heeft leren uitspreken, is “Koffie verkeerd”. “Daar kun je in Holland overal mee terecht”, zei ze.

De boodschappen voor morgen zijn binnen: yoghurt, fruit, water. Ik geloof dat ik iets teveel heb ingeslagen, want het weegt nogal. Dus mocht ik vanavond geen eetgelegenheid vinden, dan heb ik noodvoorraad.

Langs de autoweg, maar niet in een taxi

Vorig jaar heb ik vanwege de zere voeten wel gebruik gemaakt van een taxi als de afstand te groot was, maar vandaag was ik het niet, maar mijn collega’s.
Er zaten er gisteren een stuk of achtentwintig in Castilblanco en volgens mij hebben van die achtentwintig alleen ik en nog iemand de gehele route gelopen en de rest liet zich in ieder geval de eerste 14 km per taxi vervoeren. Die eerste 14 km gingen namelijk langs de autoweg. Niet dat het er nou zo druk is op zondag, maar na een aantal kilometers heb je die witte streep in het midden wel zo’n beetje gezien. En je komt door geen enkel dorp of iets waar leven te bespeuren is, zodat ik het voor de lunch moest doen met een paar yoghurtjes en een paar bananen. Het leek wel afzien.

Als beloning ging de route daarna door een schitterend natuurgebied, echt heel erg mooi. Omdat het voorjaar is, staan alle struiken te bloeien als een gek, prachtig gewoon en het ruikt dan ook erg lekker. Met mijn voeten gaat het tot nu toe prima, ze zijn na afloop wel moe, maar ik heb nergens open plekken of zo zoals vorig jaar. Dat komt natuurlijk ook omdat het veel minder warm is. Het is echt heerlijk weer, zo ’n 30 graden ongeveer. Gelukkig, want er zijn hier niet veel bossen, alleen zie je af en toe olijfbomen of kurkeiken, maar die staan allemaal wijd uit elkaar, zodat je niet veel schaduw hebt.

Olijfboom-web Kurkeik-web

Enfin, een uurtje of zes en 31 km later zit ik nu samen met de Zwitser in een Bed & Breakfast in Almaden de la Plata. Bij aankomst moest ik mijn paspoort afgeven, dat werd in een kluis gestopt met de woorden dat ik die morgenochtend weer terug zou krijgen.
Vervolgens werd medegedeeld dat als er morgenochtend niemand was, ik de sleutel maar ergens neer moest leggen. Ik begon me al zorgen te maken hoe ik dan weer aan mijn paspoort moest zien te komen, maar dat bleek niet nodig.
Ik ben eerst iets gaan eten en na het eten ging ik de kamer betalen en plotseling kreeg ik toen ook mijn paspoort weer terug. Ik snap er niets van, maar ja, ik spreek natuurlijk ook geen Spaans, dus kan ik het niet navragen.

Na het eten douchen, een dutje en kijken of ik wat boodschappen kon doen, maar alles is dicht, dus straks wordt het weer yoghurt en iets vaags dat ik nog in mijn rugzak heb, maar niet weet wat het is. Ik zal wel zien, geen man overboord. Straks maar eens even in conclaaf met de Zwitser aan de bar, dan zullen we dat probleem even oplossen.

Een makkie

Het was vandaag maar een korte tocht van 18 km. Het enige nadeel was dat er nergens een café of iets was waar je even een kop koffie kunt drinken. Er was zelfs geen kraan onderweg om water te tappen. Maar tegen de tijd dat ik dacht: “Ik ben het even zat, wil ergens zitten”, was ik er al. Het was een prachtige route en het weer is fantastisch. Lekker warm, maar niet te warm.

Vlak voor het dorp Castilblanco de los Arroyos kwam ik langs een mooi hotelletje, dus daar ben ik gestopt. Ik kan in het hotel wel ontbijten, maar er is geen restaurant bij. Maar dat is als volgt georganiseerd, althans zo merkte ik, want ik had geen flauw idee wat er gebeurde. Ik zat namelijk op het terras een pilsje te drinken, toen er een auto stopte. Nou, dat kon mij natuurlijk niet schelen, tot de barman naar buiten kwam en me gebaarde dat ik in moest stappen. Ik mocht nog wel even mijn pilsje rustig opdrinken, de chauffeur wachtte wel.
De chauffeur bleek een student te zijn die een beetje Engels sprak, het bleek dat hij mij naar het restaurant bracht een eindje verderop. Dat restaurant is ook van de eigenaar van het hotel, maar aangezien het hotel niet helemaal in het centrum van het dorp staat, leek het hem meer op te leveren als het restaurant wel middenin het dorp stond, dus zodoende.

Ik heb er heerlijk zitten eten, terwijl ‘mijn’ chauffeur in de hal keurig wachtte tot ik klaar was en hij me weer terug naar het hotel kon brengen. Na het eten wilde ik nog een kop koffie nemen in het restaurant, maar dat kon niet, dat moest ik nou weer in het hotel doen. Is het niet geweldig?? Ik vind dit soort dingen fantastisch!

Bij terugkomst zat er aan de bar in het hotel een Zwitserse pelgrim in zijn hemd met een Santiagopet op, niet zo heel jong meer en daar heb ik heel gezellig een tijd mee zitten ouwehoeren. Gisteren is hij per taxi gereden van Sevilla naar Guillena, want hij had geen zin om de stad uit te lopen. Vandaag heeft hij dus dezelfde afstand als ik gelopen, dus morgen wordt het weer tijd om een taxi te nemen, vindt hij. Ik zei quasi streng dat dat niet kon, want ‘dat een pelgrim moet lijden’, maar hij vindt dat hij in zijn leven genoeg geleden heeft, nou hoeft het niet meer.
Hij slaapt hier in het hotel, want alleen als het echt helemaal niet anders kan, gaat hij in een albergue slapen. “Daar heb ik geen zin in en ik doe geen dingen meer waar ik geen zin in heb”. Heerlijk toch?

“Op onze leeftijd hoef je jezelf niet meer te bewijzen”, sprak hij wijs. Kijk, de eerste filosofische uitspraak heb ik dus al binnen.

Ik geniet enorm en verbaas me erover dat ik, als ik thuis ben, niet eens goed besef hoe leuk het wel is onderweg, nog veel leuker als je thuis denkt. Geer vond deze opmerking iets minder geslaagd, begreep ik.
Nu ga ik op zoek naar een internetcafé, want ik hoor dat de website weer goed is.

Semana Santa

Laat ik nou in mijn onnozelheid gedacht hebben dat het alleen in Sevilla de semana santa (heilige week) zou zijn. Nee dus, dat is in heel Spanje het geval. En wat bij ons de stille week is, is het hier allebehalve: het is een week van feest en vrij zijn, de Spanjaarden hebben een korte vakantie. Dus het is druk en dat is ook te merken aan het aantal pelgrims. Ik loop dus niet alleen dit keer.

Vanmorgen ben ik om half negen aan mijn eerste echte wandeldag begonnen en het is me goed bevallen. De temperatuur was net boven 30 graden, dus eigenlijk wel ideaal. Er was alleen een gedeelte, waar het erg open en vlak was met geen enkele boom, dus dat was wel even puffen geblazen. Verder was het gedeeltelijk zwaar bewolkt. Morgen schijnt het ook nog warm te zijn, maar daarna wordt er regen voorspeld. Nou is het hier wel zo dat men, als er drie druppels vallen, dit al een fikse regenbui noemt, maar ik ben vandaag een beek overgestoken, waarbij ik mij over een pad van pallets in het water een weg moest banen, dus dat geeft toch te denken……

Maar voorlopig zit ik nu hier in Guillena op een bankje op het pleintje in het dorp een sigaartje te roken, dus dat is goed vol te houden. Guillena is een dorp met alleen maar witte huizen, erg leuk en je ziet het al van 10 km ver liggen. Vervolgens lijkt het dan wel of het dorp niet dichterbij komt.
Vanwege de drukte kon ik niet meer in de refugio, want die was al vol, maar er is hier nog een hotelletje. Daar heb ik een kamer kunnen bemachtigen met airco, een badkamertje en vol pension en dat alles voor € 36, dus wie doet je wat. Inmiddels zit dit hotel nu ook vol met pelgrims, dus dat is wel gezellig. Ik heb een pilsje zitten drinken met Guido, een Duitser van 72 jaar! Hij is pas gaan wandelen toen hij 65 was en loopt nu de camino ook voor de vijfde keer. Nou en ik ben nog geen 72…………

Ik sprak natuurlijk Duits met hem, maar toen ik vertelde dat ik in Zaandam woon, ging er ineens een ander hoofd omhoog van een mevrouw, die enthousiast riep dat we dan bijna buren zijn. Dat was Irma Dekker uit Haarlem. Zij dacht in eerste instantie dat ik ook een Duitser was.
Dus ik heb op mijn eerste dag al meer mensen ontmoet dan vorig jaar in een week. Wel gezellig, hoor.
Het lopen ging goed, mijn voeten voel ik niet, maar de afstand was ook maar 23 km. Keurig voor zo’ n eerste dag.
En morgen is het ook niet erg ver, alleen schijn je de eerste 15 km niet aan water te kunnen komen, dus ik moet nog even een fles water gaan scoren.

Sevilla

Zo, het is weer lekker warm, zo’n 32 graden. “Maar het is nog geen zomer”, zeggen ze hier. Ik vertel dan dat Gery nog de kachel aan heeft en dan zij er weer overheen met: “Wij hebben hier helemaal geen kachel!”

Ik moet wel weer even wennen aan de Spanjaarden. Gisteren in het vliegtuig ook, daar was ineens een stormachtig geweld tussen drie Spanjaarden, stewardess erbij. Ik versta natuurlijk niet wat ze zeggen, maar ineens was het over en ging iedereen weer blij en tevreden rond zitten kijken. Het ging waarschijnlijk over niets dus.

Vanmorgen ben ik eerst naar de kathedraal gegaan. Die is immens groot en ik weet niet of ik hem nou eigenlijk mooi vind of niet, hij is wat blokkendozerig, anders dan de gotische kerken in Frankrijk. En binnen vind je echt op de schilderijen de meest bloederige taferelen. Er is bijvoorbeeld een afbeelding van de kruisiging waar het bloed bijna vanaf druipt. Maar dat is ook weer zo tegenstrijdig, want tegelijkertijd hoor je dan dat Sevilla zo mooi gebleven is, omdat de stad niet verwoest is. De Moren zaten in de stad, de Katholieken belegerden de stad en samen gooiden ze het toen op een akkoordje. De Moren mochten nog een paar maanden blijven of naar Marokko gaan en dan konden ze ongehinderd vertrekken zonder bloedvergieten of verwoestingen.
De meeste moskeeën zijn vervolgens veranderd in katholieke kerken, maar een paar moskeeën zijn gebleven voor de Moren die er nog woonden, die moesten toch ook iets hebben. Zo zie je, het lijkt allemaal even bloeddorstig, maar uiteindelijk valt het allemaal mee. Het gaat meer om het lawaai, lijkt het wel.

In de kathedraal heb ik me een ongeluk gezocht naar een plaats waar ik een stempel kon vinden. Uiteindelijk bleek er een administratiekantoortje ergens in een hoek bij een ingang, die geen ingang meer was, te zijn waar ik mijn eerste stempel heb veroverd. Vervolgens heb ik even gekeken naar de route om de stad uit te komen morgen en vond zegge en schrijve één bordje met schelp dat de weg wees.

In de binnenstad zijn heel erg nauwe straatjes. Er mogen wel personenauto’s rijden, maar het is geen doen, je riskeert je leven als je er doorheen loopt. Als er een auto aankomt zie je iedere lopende voorbijganger ook geroutineerd een portiek induiken. Binnen de gebouwen zijn er dan vaak erg mooie binnentuinen, want aan de buitenkant is er natuurlijk geen plaats voor.

Na de koffie heb ik een citytour gedaan met de bus. Dat was wel leuk, maar ook een beetje nep, want in de binnenstad kwam je niet, daar kon geen bus rijden. Maar alla, je kunt niet alles hebben.
Als troost ben ik toen maar gaan eten in een goed restaurant, waar ik heerlijk in de airco zat. Ik kreeg het menu voor mijn neus en bestelde, zoals het hoort, een voorgerecht, een hoofdgerecht en een nagerecht. Toen ik de bestelling opgaf, zei het meisje: “Nee, dat is veel te veel, hoor!” Ik dacht dat het nogal meeviel, toch vrij normaal: iets vooraf, iets toe en een hoofdgerecht, maar ze deelde mee, dat de porties nogal groot waren. Dus ik kreeg twee gerechten en dan moest ik daarna maar zien of ik nog een toetje wilde. Nou, ze kreeg helemaal gelijk, want zowel van het voorgerecht als het hoofdgerecht moest ik iets laten staan en het toetje kon er helemaal niet meer bij.

Ze vroeg hoe lang ik in Sevilla bleef en toen ik vertelde dat ik morgen naar Santiago vertrek, vroeg ze: “Gaat u vliegen of met de bus?” ” Lopen”, zei ik en toen had je de reactie moeten zien: ” Lopen???? Echt lopen???? Dat is veel te ver. Wij gaan ook allemaal naar Santiago, maar we gaan natuurlijk met de bus. Lopen is echt veel te ver, dat kan helemaal niet!”
Toen kon ik het niet laten om te vertellen dat ik ook een keer vanuit Amsterdam naar Santiago ben gelopen en toen was het “oh” en “ah” geroep helemaal niet meer van de lucht. Ze was de enige die Engels sprak, maar moest het toen toch echt even aan de rest van het personeel vertellen. En toen begreep iedereen waarom ik zoveel eten had besteld!!! Dat had ik dan wel nodig natuurlijk.

In een rommelwinkeltje heb ik een wandelstok gekocht. Mooi hoor, van glasfiber en je kunt hem in- en uitschuiven, maar mijn bostak was mooier, aan deze moet ik nog wennen. Misschien kom ik onderweg ergens weer eens een mooie bostak tegen, dan ruil ik hem weer in.

Ik merk dat ik nog een beetje gehaast ben. Ik kan natuurlijk uren ergens gaan zitten als ik dat wil, maar denk toch, als ik de koffie op heb, dat ik weer verder moet. Morgenochtend vertrek ik echt voor de eerste kilometers, dus het onthaasten kan dan beginnen!