Vanmorgen, toen ik vertrok, miezerde het. Daarna ging het even heel hard regenen en vervolgens werd het droog, maar meteen ook erg koud. Er staat nu een harde, koude wind en ik loop de hele dag met mijn fleecejack aan.
Het was een doodnormale dag vandaag. De route is mooi, maar je gaat wel heel erg op en neer. Ik heb een stukje gelopen met Duitse Erica, een stukje met Amerikaanse Jason en toen ik bij de albergue van Codabo arriveerde, was ik het hele koor weer tegengekomen onderweg. Zo gaat dat op deze route, je loopt allemaal elke dag dezelfde afstand en komt ’s avonds in dezelfde plaats terecht. Onderweg kom je geen andere albergue of overnachtingsplaats tegen, dus dan kun je niet stoppen en als je nog verder wilt lopen, moet je meteen minstens 20 km verder en dat doet geen mens natuurlijk. Dat is wel grappig, want als je eenmaal op de Camino Frances bent, heb je elke paar kilometer wel een overnachtingsplaats, dus dan loopt het weer heel anders.
De albergue hier in Cadabo is modern, mooi, maar geen historie natuurlijk. Het blijft moeilijk kiezen tussen hotel of albergue, want het heeft allebei zijn voor- en nadelen. In een albergue is iedereen en zijn er dus andere pelgrims en dat is hartstikke gezellig, maar het is ook heel veel herrie en drukte en niet zo lekker slapen over het algemeen. In een hotel of pension heb je alle rust, een eigen kamer, maar daar mis je weer de gezelligheid en de ontmoetingen met andere pelgrims. Enfin, hier hoefde ik niet te kiezen, dus dat is makkelijk. Er is hier een restaurant bij de albergue, dus over het eten hoef ik me geen zorgen te maken.
Even ter informatie: het is nog 134 km en 622 meter naar Santiago. Dat staat hier op een paaltje. Vooral die meters doen het hem natuurlijk, want is dat nou tot het plein van de kathedraal? Tot het beeld van Jacobus in de kathedraal? Ik weet het niet, dus het zou zo maar kunnen dat ik 134 km en 650 meter loop of 134 km en 600 meter. Ja, een pelgrim kan zo zijn zorgen hebben, dat zie je maar weer.
Alle gekheid op een stokje, ik ga vroeg op stok vanavond, want morgen moet ik een stuk van 32 km afleggen. Korter kan niet, want er is geen plaats om te overnachten. En het weerbericht meldt dat er morgen veel regen is. Op het journaal hier trouwens wordt gezegd dat er heel veel regen in Noord-Spanje is gevallen, veel overstromingen, het schijnt noodweer te zijn overal. Dus ik heb tot nu toe behoorlijk mazzel gehad wat het weer betreft.
Morgen hoop ik in Lugo aan te komen. Dan ben ik bijna weer op de Camino Frances, de ‘bekende’ weg zogezegd. Maar ik ben van plan om een dagje in Lugo te blijven, want er schijnt veel te zien te zijn.
Adios en tot morgen
Koud, koud
Fonsagrada
Zo, ik ben er weer na een stevige wandeling. Het lopen ging weer prima, alleen was het koud in de wind, maar in het zonnetje was het wel weer lekker. Eerst ben ik over een punt van 1100 meter hoog gegaan, daarna afgezakt tot 700 meter. Afdalen vind ik lastiger dan stijgen, je moet jezelf dan steeds tegen lopen houden, anders rol je naar benden en dat is uiteraard niet de bedoeling, al zou het wel snel gaan.
Ik heb vannacht slecht geslapen. We sliepen met vier man in een heel klein kamertje en die Spanjaarden willen niets openzetten. Die worden al zenuwachtig als de deur openstaat, laat staan een raam. Maar zodoende werd het natuurlijk bloedheet en kun je niet slapen. Dan ga je naar alle geluiden van je mede- kamerbewoners liggen luisteren en dan lukt het helemaal niet meer natuurlijk.
Vanmorgen zaten we met zijn allen aan het ontbijt. Hier staat altijd een tv aan, waar je ook bent, dus we zagen op het journaal Angela Merkel over iets praten. Ze synchroniseren hier alles na, dus je hoort haar niet, alleen de Spaanse vertaling. Zegt een van onze Duitsers: “Hè? Ik wist helemaal niet dat ze ook Spaans spreekt!”
Om drie uur vanmiddag was ik in Fonsagrada en omdat ik vannacht niet goed geslapen heb, heb ik een mooie smoes verzonnen om niet in de albergue te gaan slapen. Ik moet namelijk nodig alle batterijen van mijn GPS opladen en aangezien dat wel zeven of acht uur duurt, kun je niet al die tijd een stopcontact bezet houden in de albergue, want iedereen moet wel iets opladen natuurlijk. Dus uit sociale overwegingen heb ik maar een pension genomen, waar nu alle instrumenten om me heen op liggen te laden. De echte waarheid is dat ik las dat ze in de albergue een eindje verderop hele smalle kamertjes hebben en dat je daar weer zelf al je eten mee moet brengen en alles zelf klaarmaken. Nou, daar had ik gewoon geen zin in. Ik heb na aankomst lekker gegeten, je kunt hier namelijk voor de lunch rustig nog tot half vier aanschuiven.
Fonsagrada is voor de begrippen hier in de omgeving een vrij groot dorp. Er zijn winkels, dus ik ging nieuwe douchegel halen. Ik kom in een piepklein supermarktje, bemand door een mevrouw, maar ik zag alleen grote flessen en daar heb ik niets aan om mee te sjouwen in mijn rugzak natuurlijk. In mijn beste Spaans, dat wil zeggen met de meest weidse gebaren legde ik uit dat ik een kleiner flesje wilde hebben. Zij begreep het, want ze begon een heel verhaal tegen me. Ik begreep echter niets van haar. Dat zag ze en ineens schoot ze in haar slippers, deed de kassa op slot en troonde me mee tot aan de drogist. Toen ik eenmaal op de plaats van bestemming was, wandelde ze tevreden weer terug. De drogisterij werd bemand door vader en dochter. Dat werd weer vloeiend Spaans van hun kant en enig Spaans gebrabbel van mijn kant, totdat vader zich naar de dochter wendde en iets tegen haar zei, waaruit ik begreep dat ze Engels zou kunnen spreken. Dochterlief verschoot hevig van kleur, maar ja hoor, eerst woordje voor woordje, later wat vlotter kwam het Engels eruit en kreeg ik wat ik wilde hebben. Er zijn een heleboel Spanjaarden die best een mondje Engels spreken, maar ze durven gewoon niet. Terwijl ik geen fatsoenlijk woord Spaans spreek, dus als één zich moet generen, ben ik het wel.
Morgen ga ik weer een berg op van 1000 meter, dan daal ik af tot 700 meter en dan weer omhoog tot 950 meter. Aan het stijgen en dalen is dus nog geen einde gekomen, maar dat geeft niet. Er zijn een stuk of vijftien mensen die deze route lopen, dus je komt elkaar nu bijna elke dag of avond wel weer ergens tegen. Dat zal wel zo blijven tot we in Lugo zijn, dan valt deze groep weer uit elkaar.
De groeten aan onze Jaap
Vanmorgen begon ik na tien minuten al met een flinke klim en daarna was het afdalen geblazen van 1100 meter hoogte naar het stuwmeer op 100 meter hoogte. Dat was weer zoiets wonderlijks: Ik liep letterlijk de bergen uit. Tot aan het stuwmeer was het een echt berglandschap, daarna veranderde het landschap als bij toverslag. Het was totaal anders: ik liep plotseling door de heuvels, veel groener en ik kon kilometers ver kijken. Als ik achterom keek, zag ik de berg met alle windmolens, waar ik vandaan kwam. Het was wonderbaarlijk mooi.
Ik kwam langs een boerderij, die gebouwd is op de fundamenten van een Middeleeuws hospitaal. Naast die boerderij stond een heel klein kapelletje uit die tijd. Dat was heel erg goed onderhouden, er stond zelfs een kaars in te branden. Het was gewoon aandoenlijk mooi.
Een eindje verder komt er opeens een klein busje aan met een Belgisch kenteken en zeven vrouwen erin. Dus ik zei op zijn Nederlands goeiemorgen en er brak een luid gejubel los. Dat was wel erg grappig. De chauffeuse vertelde dat een kennis van haar (”wel een Waal, hoor”, zei de Vlaamse alsof het om een ander soort ging) naar Santiago was gelopen,en dat ze die in Santiago had ingehaald. Daar was ze zo enthousiast over geworden en had daar zo enthousiast over verteld, dat ze nu met vriendinnen de route aan het rijden was. Dat was dus even gezellig om mee te praten en toen we afscheid namen, riepen ze me na: “Doe de groeten aan onze Jaap, hè”, waarmee ze St. Jacques bleken te bedoelen. Dat zijn toch leuke dingen?
Het weer is nog steeds schitterend, overdag zo’n 25 graden, maar ’s nachts is het al behoorlijk koud. De bossen beginnen hier al een herfstkleur te krijgen.
Ik had in Grandas kunnen stoppen, maar heb besloten nog 6 km door te lopen naar Castro. Daar vond ik alle pelgrims op de stoep van de herberg zitten. Jason was er, het meisje dat ik een eindje meegenomen heb ook (die was weer een stuk met de bus gegaan) en verder waren er weer alle nationaliteiten: Spaans, Duits, Amerikaans, Zwitsers, Fins, Nederlands. Het leuke is dat je onderweg goeie vrienden maakt, maar niet gebonden bent. Soms loop je een eindje met elkaar op, maar dan ga je ieder weer je eigen weg of je loopt weer met een ander op. Alles is goed, je hebt geen enkele keer het idee, als je een poosje met iemand loopt, dat je de volgende dag dan weer met dezelfde persoon moet lopen of met elkaar moet vertrekken of zo. Iedereen gaat zijn eigen weg en ergens ontmoet je elkaar dan weer. Een van de Duitse dames heeft ook de GR 10 gelopen dwars door de Pyreneeën van St Jean Pied de Port naar Hendaye. Zij vond het ook heel erg zwaar en meer bergbeklimmen dan wandelen. Dus daar konden we samen even lekker moeilijk over doen.
Maar goed, we hebben zo’n anderhalf uur op de stoep gezeten voor we naar binnen mochten en waarom dat was, weet niemand. Het is hier een privé herberg en niet goed georganiseerd dus. Bovendien staan er veel te veel bedden bovenop elkaar, dus je loopt elkaar steeds in de weg. Kosten € 13 en voor je nu denkt dat je voor dat geld niets mag verwachten, meld ik even dat de herbergen in Galicië, de regio waar we morgen in komen, van de staat zijn en vaak gratis.
Maar alla, het voordeel hier is wel dat we vanavond kunnen eten en morgenochtend een ontbijt kunnen krijgen, dus ik zal niet zeuren.
Morgen is er de eerste 20 km helemaal niets, geen barretje of zo, totaal niets, dus het is wel handig als je dan tenminste hebt ontbeten. Waar je onderweg nooit gebrek aan hebt, is water. Dat komt zo uit de berg stromen en is het lekkerste water dat ik ooit geproefd heb: heel helder en heerlijk fris, zonder ijskoud te zijn. Waar vind je dat nog?
Zwaar, maar erg mooi
Het was een stevig dagje vandaag, maar echt schitterend. Om zeven uur vanmorgen vertrok ik in het donker en beleefde weer het fenomeen van de ochtendnevel, die langzaam optrok en de lucht die steeds blauwer werd. Het is en blijft een schitterend gezicht. Toen was het dus klimmen geblazen en stevig ook, maar om een uur of elf stonden Jason, die ik onderweg weer tegenkwam, en ik dan bovenop de eerste berg. Dat voelt dan echt geweldig. Het is heel stil en je ziet van alles. We zijn door dieppaarse heidevelden gelopen, waarin nog wilde paarden rondlopen. We passeerden ook het karkas van een paard, dat het kennelijk niet overleefd heeft. Ja, zo gaat dat ook natuurlijk, dat hoort er ook bij. En dan de ruïnes van oude herbergen, het verleden trekt aan je voorbij en als je hier niet tot rust komt, lukt het je nergens.
De rest van de dag hebben Jason en ik samen gelopen en toen we de tweede berg beklommen, werd het bewolkt en koud. De lange broek moest dus weer uit de rugzak komen en we hadden gewoon ijskoude handen.
Maar dan daal je weer een beetje af en dan wordt het weer warm met een strakblauwe lucht. Na een stevige tippel waren we om half zes in Berducedo, waar nog net één plaatsje was in de albergue voor Jason. Ik moest nog een eindje verder, maar 500 meter verder vond ik een bed & breakfast, dus ook ik was onder de pannen voor vannacht. Er is hier één restaurantje, maar dat is dicht op zaterdag, want dan ‘komt er toch niemand’. Maar de oude mevrouw van mijn bed & breakfast maakt een maaltje voor me klaar, dus ik kom niet om van de honger. Het is wel leuk te merken hoe ze hier nog veel respect hebben voor ons pelgrims, omdat we de ‘hoge’ route hebben genomen. Mensen leven hier erg met je mee en zijn gastvrij en reuze vriendelijk.
Het enige nadeel is dat ik haast geen bereik heb met de telefoon, iedere keer wordt het gesprek met Gery na een paar zinnen afgebroken, dus het nieuws en verdere verhalen houden jullie even tegoed. Morgen volgt er nog een stevige dag met één berg of liever gezegd een dal, want ik zit nu op een berg, daal morgen af naar 100 meter en dan weer omhoog. Maar geen nood, het is echt absoluut de moeite waard en ik geniet enorm. O ja, dat vergeet ik steeds te zeggen, maar ik geniet ook erg van jullie berichten op de website. Als ik ze zelf niet kan lezen, leest Gery ze voor en het doet me goed te zien dat jullie meeleven en in gedachten meelopen!.
Net een schilderij
Het was een prachtige tocht; het wordt hier steeds mooier. Als ik wegga, en vanmorgen was dat al voor achten en nog bijna donker, hangt overal nog de ochtendnevel in de dalen. Die zie ik dan langzaam optrekken en dan zijn het net allemaal eilandjes die uit de mist komen. Een prachtig gezicht, net een schilderij. Het is weer erg leuk om over een onbekende route te gaan en ik verheug me op de rest. Het zal best wel heftig worden, want morgen moet er veel geklommen worden. Het is niet eens dat de bergen hier zo gigantisch hoog zijn, want er zijn genoeg bergen die hoger zijn, maar er zijn wel veel steile hellingen, soms wel van 10 %. Dat valt voor mijn enkel niet mee natuurlijk. Omlaag gaat het wel, maar omhoog is lastiger, omdat die enkel niet kan buigen. Ik loop dan meestal met mijn linkervoet op mijn tenen. Vorige keren zette ik mijn voet steeds overdwars, maar ik verbeeld mij dat dit beter gaat.
Enfin, ik ben inderdaad gestopt in Campello en zit nu in een soort pension. Er is een grote landbouwschuur en daar is een verdieping op gebouwd met vier kamers. Keurig netjes en ik kan hier ook eten. Ik was hier al om kwart over twaalf, dus heb hier tussen de middag ook al gegeten, samen met een andere pelgrim, Jason geheten. Dat was wel grappig, want toen ik hem zag dacht ik dat het een Duitser was. Hij begon echter Engels tegen me te praten en vertelde me dat hij uit Chicago kwam, dus ik zat goed mis, dacht ik. Ze hebben een familiebedrijf in landbouwproducten en het is de bedoeling dat hij Midden- en Zuid-Amerika gaat doen, dus hij is hier niet alleen op vakantie, maar probeert meteen veel Spaans te oefenen, wat hem zo te horen heel goed afgaat. Volgens hem gaat alles in Chicago nu fantastisch, want “we hebben nu in Chicago een maatschappelijk werker, die zelfs president geworden is”.
Goed, daarna vroeg hij natuurlijk waar ik vandaan kwam en toen ik zei: “Uit Amsterdam”, veronderstelde hij dat ik ook wel goed Duits zou spreken. En toen kwam het: “Ja, dat zou ik eigenlijk ook goed moeten kunnen spreken, want mijn overgrootvader kwam uit Duitsland”. Zo zie je dus dat afkomst zich niet verloochent, al is het generaties terug. Later kwam ook het meisje erbij dat ik gisteren een poosje onder mijn hoede heb genomen. Ze was vandaag toch weer op weg gegaan, maar zegt nu wel steeds, dat ze af en toe de bus gaat nemen. Dat valt echt niet mee hier, want veel bussen rijden er niet.
Het eten is hier voedzaam en gezond, maar er zijn geen culinaire hoogstandjes. Dat maakt niet uit, vanavond kan ik hier in ieder geval ook eten. Morgenochtend wil ik vroeg weg, maar er is dan nog geen bar open hier, waar ik ontbijt kan krijgen, dus ik ga straks nog even boodschappen doen en het nodige voedsel inslaan. Het wordt een lange dag, want ik moet eerst de 3 km naar Borres lopen natuurlijk en dan het ‘koningspad’ op. Ik heb al gezegd dat wij als hedendaagse pelgrims op deze route minder verwend worden dan de pelgrims van eeuwen geleden, want die hadden onderweg tenminste herbergen en wij alleen de ruïnes ervan. Morgen heb ik twee hoge punten te beklimmen en zo’n 31 km te lopen. Tot Lugo blijft het een heftige route, maar ik heb er zin in. Ik heb uitgerekend dat ik waarschijnlijk precies aankom in Santiago als Gery en Marnix er ook aankomen. Zij zijn er 22 september en ik hoop dan de 23e in Santiago te arriveren. Daarna wandel ik dan nog drie dagen naar Finisterra, want dat hoort erbij. Wees gerust, familie, ik zal op tijd terug zijn voor het familieweekend.
Maar voorlopig scharrelt deze jongen nog even langs ’s heren wegen.
Een klein mannetje met een grote rugzak
Het was een heerlijke dag vandaag. Vanmorgen vertrok ik in de mist en de nattigheid. Ik had nog geen twintig meter zicht. Ik klom wel hoog, maar ja, ik zag niks. Na een poosje kwam de zon, toen was het nog wel nevelig, maar kon ik wat verder kijken en om elf uur werd het prachtig weer en genoot ik echt van een prachtige tocht met schitterende uitzichten. Je moet je voorstellen dat je dan door het bos loopt, door beekjes moet waden, langs watervalletjes loopt en dan af en toe een prachtig uitzicht hebt op het dal. Dat is toch geweldig? Als die beekjes niet diep zijn, kun je er zo doorheen lopen, maar als ze dieper zijn, liggen overal ’stapstenen’, zodat je van de ene steen op de andere steen kunt stappen. Als ik dat doe, denk ik aan alle mensen die dat voor mij hebben gedaan, want die stenen liggen er al ik weet niet hoe lang. Onderweg zijn er ook stukjes die min of meer ‘geplaveid’ zijn, althans er zijn stenen neergelegd en soms zie je ook echt uithollingen in de stenen, waar karren overheen gegaan zijn. Eeuwenlang ligt dat daar al en zijn er mensen overheen gelopen. Ik kom over bruggetjes. waar bordjes bij staan dat ze uit de dertiende eeuw zijn. Daar mag ik dan, nadat er eeuwenlang mensen overheen gelopen zijn, ook overheen lopen. Terwijl ik dat doe, zie ik dan honderd meter boven me op pijlers tegen de berg aan een moderne autosnelweg. Wat een contrasten.
Het is jammer dat ik mezelf niet kan filmen, want het moet een koddig gezicht zijn: een klein mannetje met een veel te grote rugzak dat tegen een berg opklautert. Als ik nog eens iemand tegenkom, zal ik vragen of ze me willen filmen.
Vandaag kwam ik een meisje uit Madrid tegen, die het helemaal niet meer zag zitten en nou had ze ook nog gelezen dat het de komende dagen nog erger zou worden, dus nou zag ze het helemaal niet meer. Ik heb me dus maar een beetje over haar ontfermd en heb haar meegenomen tot de eerstvolgende bar. Daar had ze razendsnel een lift te pakken naar Tineo. Wellicht put ze daar de energie uit om morgen toch maar verder te gaan. Ik moest toen nog 6 km lopen, toen was ik ook in Tineo. Ik ben vandaag tot 700 meter geklommen en vervolgens weer een stukje naar beneden en nu zit ik op 400 meter ongeveer.
Morgen wil ik stoppen in Campello, dat is 4 km voor Borres, daar is een casa Herminia met acht bedden, dus ik kijk of ik daar kan overnachten. Mocht dat niet lukken, dan doe ik in Campello de boodschappen en wandel ik nog 3 km verder naar Borres. Ik ben van plan om vanaf daar de hoogste route te nemen. Dat is de meest traditionele en daar zijn langs de route nog de ruïnes van vroegere herbergen. Dat lijkt me mooi om te doen, je gaat dan echt over de kam van de bergen. Wel zwaar en geen ‘uitspanningen’ onderweg, maar goed. Tot nu toe gaat alles prima, dus het moet kunnen. Adios!
Berg op, berg af
Vanmorgen was het fris en nat. Niet van de regen, maar van de mist. ik liep zogezegd met mijn hoofd in de wolken. In de loop van de dag trok de mist wel op, maar de wolken bleven, dus ik heb geen zon gezien. Het begint nu ook weer flink te klimmen en te dalen. De route is verder eenzaam, er is onderweg niets aan dorpen of iets dergelijks. Zelfs geen barretje waar je even kunt stoppen om koffie te drinken. Er zijn wel overal bronnen waar je water kunt tappen, dus drinken kan ik genoeg. Als je nergens kunt stoppen, haal je ook geen mensen in of halen zij jou in, zodat ik vandaag niemand heb gezien. Gery vraagt steeds of ik dat niet erg vervelend vind, maar eerlijk gezegd vind ik het niet erg. Ik loop lekker overdag en ’s avonds ben ik toch weer onder de mensen.
Van al dat geklim en gedaal ga je flink zweten, dus je drinkt veel en vanmiddag had ik het lekker warm, ondanks de bewolkte lucht. Om drie uur was ik in een hotelletje in Salas en dat is weer een echt dorp met alles erop en eraan. Overmorgen hoop ik in Borres te komen en daar schijnt helemaal niets te zijn, alleen één refugio waar je zelf voor eten moet zorgen. Dus daar zal ik ongetwijfeld andere pelgrims ontmoeten, want ze zijn er wel….ergens….. Dan is het uit met de luxe hotels en afgelopen met het luxe leventje.
Vanaf Bores zijn er dan twee alternatieven van de Camino Primitivo: ik kan hoog over de bergkam of lager. Dus dan moet ik een keuze maken. Ik weet nog niet wat ik ga doen, ik kijk eerst even hoe het de komende dagen bevalt, maar in principe voel ik het meest voor de hoge route. Ik ben hier tenslotte maar één keer. We zullen zien!!
Cider schenken
Ik kom nog even terug op de post, nu ik merk dat mensen een kaartje hebben gestuurd, maar denken dat ze die te laat verstuurd hebben. Dat kan natuurlijk zo zijn, maar er is ook een andere mogelijkheid: als je namelijk op de envelop hebt gezet: ‘Theo den Otter’ of ‘dhr M.J,. den Otter’ of zoiets, dan is hij waarschijnlijk wel aangekomen, maar krijg ik hem gewoon niet. Ze kijken namelijk in mijn paspoort en als de naam niet precies klopt, gaan ze ervan uit dat ik dat dus niet ben.. Ze snappen niet eens dat Mattheus Jan mijn voornaam is, en ik kan niet uitleggen dat “Theo” hetzelfde is als Mattheus Jan en dat den Otter mijn achternaam is en niet mijn voornaam.. Je moet dus echt adresseren aan: DENOTTER, MATTHEUS JAN. t is maar een weet. Maar wees gerust, ik weet dat jullie meeleven en aan me denken, hoor!
De eerste etappe van de Camino Primitivo leverde niet al te veel problemen op. Het ging wel een beetje op en neer, maar het was een rustige weg en goed te belopen. Vanmorgen ben ik eerst wel anderhalf uur aan het lopen geweest voor ik eenmaal de stad uit was. Er zijn nog geen echte bergen, die beginnen morgen, maar vanuit de stad liep ik naar boven de heuvels in en als je dan naar beneden keek, zag je in de dalen de nevel hangen. Dat is een erg mooi gezicht.
Het is hier heel dun bevolkt. Er zijn af en toe wel piepkleine dorpen, waar een paar mensen wonen, maar ik heb de indruk dat er meer huizen zijn dan mensen. Meestal zijn het echt gehuchten: een paar huizen en een kerk.
Onderweg ging ik in een barretje wat drinken. In dat barretje stond een mevrouw, die alleen Spaans sprak, maar met handen en voetenwerk probeerden we toch een gesprek te voeren. Toen kwam er een meneer binnen, die cider bestelde. Dus ik maakte het gebaar van hoe ze hier cider schenken: de fles hoog in de lucht, het glas beneden en dan maar mikken. Dat vond die meneer zo leuk, dat hij mij acuut ging leren hoe ik cider in een glas moest schenken. Hij deed het voor en dat ging van een leien dakje natuurlijk. Toen moest ik het doen en ik bakte er geen hout van. Na heel veel tobben en proberen had ik eindelijk een glas vol. Toen bleek dat je dat glas dan in één teug leeg hoort te drinken. Ik dus ook en dat heb ik ook gedaan, maar ik verzeker jullie dat dat een hele slok is. En de Spaanse cider lijkt totaal niet op de Franse of de Hollandse, volgens mij zit er veel meer alcohol in.
Enfin, het was wel even erg leuk en ik vervolgde zingend mijn weg tot ik in Grado was. 
De refugio is 4 km buiten het dorp en daar is helemaal niks, geen cafetaria of zo, dus als je eten wilt moet je weer 4 km terug. Daar heb ik dus geen zin in, vooruitlopen is leuk, maar teruglopen??? Dus ja hoor, het is weer een hotel geworden en weer een kamer met zitje. Grado is een echt levenskrachtig dorp, er zijn winkels, hotels, cafetaria’s, enz. Dus het is hier goed toeven, er is alleen geen internetcafé en dat zal er voorlopig ook wel niet komen.
Onderweg is het trouwens nog steeds stil. Ik heb vandaag twee fietsers gezien en ik ben drie pelgrims voorbijgelopen, die water stonden te tappen. En dan zag ik nog wat Spaanse wandelaars, maar die hadden zelfs geen klein rugzakje bij zich, dus die maakten even een ommetje. Ik vind het niet erg, ik vermaak mij prima. Nog veertien dagen, dan ben ik alweer in Santiago de Compostela, mag ik hopen. Wat gaat het toch allemaal snel eigenlijk.
Zonet zat ik op mijn balkonnetje een sigaartje te roken toen er nog twee pelgrims voorbijkwamen. Die gingen nog door naar de refugio, 4 km verderop. Het meisje keek jaloers, zij voelde er veel voor maar in het hotel te blijven, maar de jongen was onverbiddelijk. Zij moeten wel erg laat vertrokken zijn vanmorgen, want het is nu kwart voor acht en ze moeten nog een uur lopen. En dan nog een maaltijd klaarmaken, arme mensen! Voor mij valt het ook niet mee, want ik moet tot half negen wachten voor ik kan eten. Ik heb geprobeerd of het niet wat vroeger kon, maar nee, we gaan niet midden op de dag zitten eten! Omdat ik tussen de middag ook niet gegeten heb, moest ik mij behelpen met een kop koffie en gebak. ‘t Is toch wat!
Gery vertelde dat het vandaag 27 graden was bij jullie. Nou, hier was het vandaag boven de dertig! Ja, ik wou het toch maar even zeggen!
Gegroet gij allen!
Oviedo
Toen ik vanmorgen op mijn kaartje stond te kijken waar ik heen moest, kwam er een meneer van middelbare leeftijd naar me toe die in perfect Engels vroeg of hij me kon helpen. Ik zei dat ik naar de kerk moest en toen is hij wel een kilometer met me meegelopen om me te brengen. Hij vertelde dat er meer Spanjaarden zijn die Engels spreken dan je zou denken, maar dat ze bang zijn om fouten te maken. Bovendien wordt het ook niet door de regering aangemoedigd.
Opgewekt begon ik daarna aan mijn wandeling en het was een relaxed loopje vandaag, want ik hoefde maar 17 km, dus een wandelingetje van niks. Het was een rustig weggetje en minder saai dan gisteren. Het ging weer een beetje op en neer en onderweg kwam ik langs een paar aardige kasteeltjes.
Ik had wel gedacht dat Oviedo een stadje was, maar het is gewoon een grote stad, ik heb wel anderhalf uur door de buitenwijken gelopen voor ik in het centrum was. Daar was ik om één uur en de albergue gaat pas om vijf uur vanavond open. Ik had niet zo’n zin om de hele middag met mijn rugzak door de stad te lopen, dus ik heb weer heel luxe een hotel genomen. Ik heb nu zelfs een zitje op de kamer, het gaat van kwaad tot erger met pelgrim Theo. Je kunt nu moeilijk nog van ‘afzien’ spreken toch?
Vlakbij mijn hotel is een cafetaria, daar ben ik tussen de middag gaan eten. Daar bediende een ontzettend aardig meisje. Er was nog maar één tafeltje vrij en dat stond in de zon achter het raam, dus het was er warm, maar ja, beter iets dan niets. Op een gegeven ogenblik komt het meisje naar me toe en zegt: “Kom maar, hoor, dan breng ik u even naar een andere zaal, daar is het niet zo warm”. Lief, hè? Dat waren alweer twee hele aardige en behulpzame mensen op één dag. De wereld is zo slecht nog niet.
In Oviedo ben ik eerst naar het postkantoor gegaan om naar de post te kijken. Er was bericht van Andries en Rina met een foto van de dag dat ze mij bezochten. Hartstikke leuk, bedankt! En een kaart van mijn trouwe Geertje natuurlijk. Dat was het.
Toen heb ik de kerk bezocht met de daarbij behorende kloostergang en het museum. Daar ligt onder andere een heel erg mooi gouden kruis, bezet met edelstenen uit 830 na Christus. Toen is dat door ene Pilaryo meegenomen om tegen de Moren te strijden.
O ja, en in de kerk was een kapelletje met aan weerszijden beelden van twee heiligen om de ingang te bewaken. Geloof het of niet, maar die ene heilige, ik weet niet wie het was, maar die lijkt sprekend op Arij. Echt waar, hij was het gewoon, dezelfde houding, hetzelfde gezicht. Ik heb hem dan ook even begroet: “Dag Arij, jij ook hier?”
Ineens deed mijn GPS het niet meer. Ik kon hem niet meer uitzetten en niet meer aanzetten. Daar kreeg ik behoorlijk de pest over in, want net nou begint de Camino Primitivo. Ik heb het opgegeven en Gery gebeld dat de gps het niet meer deed. Die wist het natuurlijk ook niet uit de verte en zei: “Laat toch zitten”, maar dat is toch jammer eigenlijk. Als laatste redmiddel besloot ik vanavond Marnix te bellen, misschien kon die me raad geven.
Enfin, door al dat gedoe wist ik ook niet meer waar mijn hotel was, ik heb steeds maar overal rondgelopen natuurlijk. Ja, ik had de naam van het hotel moeten onthouden, dan had ik de weg kunnen vragen, maar die wist ik ook niet meer. “Nou, het moet al heel gek gaan als ik het niet terugvind”, dacht ik en zie………… ik bleek er nog geen 50 meter vandaan te zijn.
Terug op mijn kamer heb ik de batterijen uit mijn gps gehaald, eens even eraan geschud en zie……….. hij doet het weer! Ik vind dat ik nu mijn eten wel weer verdiend heb. Tot morgen maar weer.
Fleecejack aan
Het eten gisteravond was slecht, maar het gezelschap maakte veel goed. Het was erg gezellig.
Ik heb het vannacht ontzettend koud gehad. Ook vanmorgen, toen we op weg gingen was het koud, mijn fleecejack kon het niet aan. Ja, stil maar, ik weet dat het bij jullie kouder is en herfstachtig en ik weet dat het vanmiddag hier weer 29 graden was, maar vanochtend had ik het gewoon koud. Ziezo, nou weten jullie het.
Gelukkig moesten we vlak na het vertrek heel fors klimmen, 400 meter omhoog op een paar km, dus dat was heftig en daarna had ik het dus niet koud meer. Na die klim ging de weg weer een beetje naar beneden en de rest van de tijd bleef dat zo en liep ik over een asfaltweg. Dat loopt wel makkelijk, maar is nogal saai. Vanmorgen liep ik met de Fransen uit Lyon, met wie ik gisteravond ook gegeten heb, later weer alleen.
Ik ben al vroeg gestopt, iets na de middag, in Pola de Siero. Ik had wel door kunnen lopen naar Orviedo, maar dan had ik toch morgenochtend eerst naar het postkantoor gegaan om te zien of er post is. “Ik kan eigenlijk net zo goed morgen gaan lopen”, dacht ik zo.
Dus ik had een vrije middag. Die heb ik nuttig besteed door eerst eens uitgebreid te gaan eten. Ik heb tussen de middag twee uur aan tafel gezeten en ontdekt dat je hier eigenlijk tussen de middag moet eten, want dan eten ze de heerlijkste zaken en ’s avonds raffelen ze het een beetje af.
Ik veronderstelde dat Pola de Siero wel een dorp zou zijn, omdat er een hotel is, maar het is een echte stad. Niet al te groot, maar wel een echte stad. Leuk, hoor!
Na het eten heb ik de was gedaan, gedoucht en toen was het luieren geblazen: in de zon, op mijn balkon, sigaartje in de mond.

