Het was een prachtige tocht; het wordt hier steeds mooier. Als ik wegga, en vanmorgen was dat al voor achten en nog bijna donker, hangt overal nog de ochtendnevel in de dalen. Die zie ik dan langzaam optrekken en dan zijn het net allemaal eilandjes die uit de mist komen. Een prachtig gezicht, net een schilderij. Het is weer erg leuk om over een onbekende route te gaan en ik verheug me op de rest. Het zal best wel heftig worden, want morgen moet er veel geklommen worden. Het is niet eens dat de bergen hier zo gigantisch hoog zijn, want er zijn genoeg bergen die hoger zijn, maar er zijn wel veel steile hellingen, soms wel van 10 %. Dat valt voor mijn enkel niet mee natuurlijk. Omlaag gaat het wel, maar omhoog is lastiger, omdat die enkel niet kan buigen. Ik loop dan meestal met mijn linkervoet op mijn tenen. Vorige keren zette ik mijn voet steeds overdwars, maar ik verbeeld mij dat dit beter gaat.
Enfin, ik ben inderdaad gestopt in Campello en zit nu in een soort pension. Er is een grote landbouwschuur en daar is een verdieping op gebouwd met vier kamers. Keurig netjes en ik kan hier ook eten. Ik was hier al om kwart over twaalf, dus heb hier tussen de middag ook al gegeten, samen met een andere pelgrim, Jason geheten. Dat was wel grappig, want toen ik hem zag dacht ik dat het een Duitser was. Hij begon echter Engels tegen me te praten en vertelde me dat hij uit Chicago kwam, dus ik zat goed mis, dacht ik. Ze hebben een familiebedrijf in landbouwproducten en het is de bedoeling dat hij Midden- en Zuid-Amerika gaat doen, dus hij is hier niet alleen op vakantie, maar probeert meteen veel Spaans te oefenen, wat hem zo te horen heel goed afgaat. Volgens hem gaat alles in Chicago nu fantastisch, want “we hebben nu in Chicago een maatschappelijk werker, die zelfs president geworden is”.
Goed, daarna vroeg hij natuurlijk waar ik vandaan kwam en toen ik zei: “Uit Amsterdam”, veronderstelde hij dat ik ook wel goed Duits zou spreken. En toen kwam het: “Ja, dat zou ik eigenlijk ook goed moeten kunnen spreken, want mijn overgrootvader kwam uit Duitsland”. Zo zie je dus dat afkomst zich niet verloochent, al is het generaties terug. Later kwam ook het meisje erbij dat ik gisteren een poosje onder mijn hoede heb genomen. Ze was vandaag toch weer op weg gegaan, maar zegt nu wel steeds, dat ze af en toe de bus gaat nemen. Dat valt echt niet mee hier, want veel bussen rijden er niet.
Het eten is hier voedzaam en gezond, maar er zijn geen culinaire hoogstandjes. Dat maakt niet uit, vanavond kan ik hier in ieder geval ook eten. Morgenochtend wil ik vroeg weg, maar er is dan nog geen bar open hier, waar ik ontbijt kan krijgen, dus ik ga straks nog even boodschappen doen en het nodige voedsel inslaan. Het wordt een lange dag, want ik moet eerst de 3 km naar Borres lopen natuurlijk en dan het ‘koningspad’ op. Ik heb al gezegd dat wij als hedendaagse pelgrims op deze route minder verwend worden dan de pelgrims van eeuwen geleden, want die hadden onderweg tenminste herbergen en wij alleen de ruïnes ervan. Morgen heb ik twee hoge punten te beklimmen en zo’n 31 km te lopen. Tot Lugo blijft het een heftige route, maar ik heb er zin in. Ik heb uitgerekend dat ik waarschijnlijk precies aankom in Santiago als Gery en Marnix er ook aankomen. Zij zijn er 22 september en ik hoop dan de 23e in Santiago te arriveren. Daarna wandel ik dan nog drie dagen naar Finisterra, want dat hoort erbij. Wees gerust, familie, ik zal op tijd terug zijn voor het familieweekend.
Maar voorlopig scharrelt deze jongen nog even langs ’s heren wegen.
2009: Camino Primitivo
Net een schilderij
Een klein mannetje met een grote rugzak
Het was een heerlijke dag vandaag. Vanmorgen vertrok ik in de mist en de nattigheid. Ik had nog geen twintig meter zicht. Ik klom wel hoog, maar ja, ik zag niks. Na een poosje kwam de zon, toen was het nog wel nevelig, maar kon ik wat verder kijken en om elf uur werd het prachtig weer en genoot ik echt van een prachtige tocht met schitterende uitzichten. Je moet je voorstellen dat je dan door het bos loopt, door beekjes moet waden, langs watervalletjes loopt en dan af en toe een prachtig uitzicht hebt op het dal. Dat is toch geweldig? Als die beekjes niet diep zijn, kun je er zo doorheen lopen, maar als ze dieper zijn, liggen overal ’stapstenen’, zodat je van de ene steen op de andere steen kunt stappen. Als ik dat doe, denk ik aan alle mensen die dat voor mij hebben gedaan, want die stenen liggen er al ik weet niet hoe lang. Onderweg zijn er ook stukjes die min of meer ‘geplaveid’ zijn, althans er zijn stenen neergelegd en soms zie je ook echt uithollingen in de stenen, waar karren overheen gegaan zijn. Eeuwenlang ligt dat daar al en zijn er mensen overheen gelopen. Ik kom over bruggetjes. waar bordjes bij staan dat ze uit de dertiende eeuw zijn. Daar mag ik dan, nadat er eeuwenlang mensen overheen gelopen zijn, ook overheen lopen. Terwijl ik dat doe, zie ik dan honderd meter boven me op pijlers tegen de berg aan een moderne autosnelweg. Wat een contrasten.
Het is jammer dat ik mezelf niet kan filmen, want het moet een koddig gezicht zijn: een klein mannetje met een veel te grote rugzak dat tegen een berg opklautert. Als ik nog eens iemand tegenkom, zal ik vragen of ze me willen filmen.
Vandaag kwam ik een meisje uit Madrid tegen, die het helemaal niet meer zag zitten en nou had ze ook nog gelezen dat het de komende dagen nog erger zou worden, dus nou zag ze het helemaal niet meer. Ik heb me dus maar een beetje over haar ontfermd en heb haar meegenomen tot de eerstvolgende bar. Daar had ze razendsnel een lift te pakken naar Tineo. Wellicht put ze daar de energie uit om morgen toch maar verder te gaan. Ik moest toen nog 6 km lopen, toen was ik ook in Tineo. Ik ben vandaag tot 700 meter geklommen en vervolgens weer een stukje naar beneden en nu zit ik op 400 meter ongeveer.
Morgen wil ik stoppen in Campello, dat is 4 km voor Borres, daar is een casa Herminia met acht bedden, dus ik kijk of ik daar kan overnachten. Mocht dat niet lukken, dan doe ik in Campello de boodschappen en wandel ik nog 3 km verder naar Borres. Ik ben van plan om vanaf daar de hoogste route te nemen. Dat is de meest traditionele en daar zijn langs de route nog de ruïnes van vroegere herbergen. Dat lijkt me mooi om te doen, je gaat dan echt over de kam van de bergen. Wel zwaar en geen ‘uitspanningen’ onderweg, maar goed. Tot nu toe gaat alles prima, dus het moet kunnen. Adios!
Berg op, berg af
Vanmorgen was het fris en nat. Niet van de regen, maar van de mist. ik liep zogezegd met mijn hoofd in de wolken. In de loop van de dag trok de mist wel op, maar de wolken bleven, dus ik heb geen zon gezien. Het begint nu ook weer flink te klimmen en te dalen. De route is verder eenzaam, er is onderweg niets aan dorpen of iets dergelijks. Zelfs geen barretje waar je even kunt stoppen om koffie te drinken. Er zijn wel overal bronnen waar je water kunt tappen, dus drinken kan ik genoeg. Als je nergens kunt stoppen, haal je ook geen mensen in of halen zij jou in, zodat ik vandaag niemand heb gezien. Gery vraagt steeds of ik dat niet erg vervelend vind, maar eerlijk gezegd vind ik het niet erg. Ik loop lekker overdag en ’s avonds ben ik toch weer onder de mensen.
Van al dat geklim en gedaal ga je flink zweten, dus je drinkt veel en vanmiddag had ik het lekker warm, ondanks de bewolkte lucht. Om drie uur was ik in een hotelletje in Salas en dat is weer een echt dorp met alles erop en eraan. Overmorgen hoop ik in Borres te komen en daar schijnt helemaal niets te zijn, alleen één refugio waar je zelf voor eten moet zorgen. Dus daar zal ik ongetwijfeld andere pelgrims ontmoeten, want ze zijn er wel….ergens….. Dan is het uit met de luxe hotels en afgelopen met het luxe leventje.
Vanaf Bores zijn er dan twee alternatieven van de Camino Primitivo: ik kan hoog over de bergkam of lager. Dus dan moet ik een keuze maken. Ik weet nog niet wat ik ga doen, ik kijk eerst even hoe het de komende dagen bevalt, maar in principe voel ik het meest voor de hoge route. Ik ben hier tenslotte maar één keer. We zullen zien!!
Cider schenken
Ik kom nog even terug op de post, nu ik merk dat mensen een kaartje hebben gestuurd, maar denken dat ze die te laat verstuurd hebben. Dat kan natuurlijk zo zijn, maar er is ook een andere mogelijkheid: als je namelijk op de envelop hebt gezet: ‘Theo den Otter’ of ‘dhr M.J,. den Otter’ of zoiets, dan is hij waarschijnlijk wel aangekomen, maar krijg ik hem gewoon niet. Ze kijken namelijk in mijn paspoort en als de naam niet precies klopt, gaan ze ervan uit dat ik dat dus niet ben.. Ze snappen niet eens dat Mattheus Jan mijn voornaam is, en ik kan niet uitleggen dat “Theo” hetzelfde is als Mattheus Jan en dat den Otter mijn achternaam is en niet mijn voornaam.. Je moet dus echt adresseren aan: DENOTTER, MATTHEUS JAN. t is maar een weet. Maar wees gerust, ik weet dat jullie meeleven en aan me denken, hoor!
De eerste etappe van de Camino Primitivo leverde niet al te veel problemen op. Het ging wel een beetje op en neer, maar het was een rustige weg en goed te belopen. Vanmorgen ben ik eerst wel anderhalf uur aan het lopen geweest voor ik eenmaal de stad uit was. Er zijn nog geen echte bergen, die beginnen morgen, maar vanuit de stad liep ik naar boven de heuvels in en als je dan naar beneden keek, zag je in de dalen de nevel hangen. Dat is een erg mooi gezicht.
Het is hier heel dun bevolkt. Er zijn af en toe wel piepkleine dorpen, waar een paar mensen wonen, maar ik heb de indruk dat er meer huizen zijn dan mensen. Meestal zijn het echt gehuchten: een paar huizen en een kerk.
Onderweg ging ik in een barretje wat drinken. In dat barretje stond een mevrouw, die alleen Spaans sprak, maar met handen en voetenwerk probeerden we toch een gesprek te voeren. Toen kwam er een meneer binnen, die cider bestelde. Dus ik maakte het gebaar van hoe ze hier cider schenken: de fles hoog in de lucht, het glas beneden en dan maar mikken. Dat vond die meneer zo leuk, dat hij mij acuut ging leren hoe ik cider in een glas moest schenken. Hij deed het voor en dat ging van een leien dakje natuurlijk. Toen moest ik het doen en ik bakte er geen hout van. Na heel veel tobben en proberen had ik eindelijk een glas vol. Toen bleek dat je dat glas dan in één teug leeg hoort te drinken. Ik dus ook en dat heb ik ook gedaan, maar ik verzeker jullie dat dat een hele slok is. En de Spaanse cider lijkt totaal niet op de Franse of de Hollandse, volgens mij zit er veel meer alcohol in.
Enfin, het was wel even erg leuk en ik vervolgde zingend mijn weg tot ik in Grado was. 
De refugio is 4 km buiten het dorp en daar is helemaal niks, geen cafetaria of zo, dus als je eten wilt moet je weer 4 km terug. Daar heb ik dus geen zin in, vooruitlopen is leuk, maar teruglopen??? Dus ja hoor, het is weer een hotel geworden en weer een kamer met zitje. Grado is een echt levenskrachtig dorp, er zijn winkels, hotels, cafetaria’s, enz. Dus het is hier goed toeven, er is alleen geen internetcafé en dat zal er voorlopig ook wel niet komen.
Onderweg is het trouwens nog steeds stil. Ik heb vandaag twee fietsers gezien en ik ben drie pelgrims voorbijgelopen, die water stonden te tappen. En dan zag ik nog wat Spaanse wandelaars, maar die hadden zelfs geen klein rugzakje bij zich, dus die maakten even een ommetje. Ik vind het niet erg, ik vermaak mij prima. Nog veertien dagen, dan ben ik alweer in Santiago de Compostela, mag ik hopen. Wat gaat het toch allemaal snel eigenlijk.
Zonet zat ik op mijn balkonnetje een sigaartje te roken toen er nog twee pelgrims voorbijkwamen. Die gingen nog door naar de refugio, 4 km verderop. Het meisje keek jaloers, zij voelde er veel voor maar in het hotel te blijven, maar de jongen was onverbiddelijk. Zij moeten wel erg laat vertrokken zijn vanmorgen, want het is nu kwart voor acht en ze moeten nog een uur lopen. En dan nog een maaltijd klaarmaken, arme mensen! Voor mij valt het ook niet mee, want ik moet tot half negen wachten voor ik kan eten. Ik heb geprobeerd of het niet wat vroeger kon, maar nee, we gaan niet midden op de dag zitten eten! Omdat ik tussen de middag ook niet gegeten heb, moest ik mij behelpen met een kop koffie en gebak. ‘t Is toch wat!
Gery vertelde dat het vandaag 27 graden was bij jullie. Nou, hier was het vandaag boven de dertig! Ja, ik wou het toch maar even zeggen!
Gegroet gij allen!
Oviedo
Toen ik vanmorgen op mijn kaartje stond te kijken waar ik heen moest, kwam er een meneer van middelbare leeftijd naar me toe die in perfect Engels vroeg of hij me kon helpen. Ik zei dat ik naar de kerk moest en toen is hij wel een kilometer met me meegelopen om me te brengen. Hij vertelde dat er meer Spanjaarden zijn die Engels spreken dan je zou denken, maar dat ze bang zijn om fouten te maken. Bovendien wordt het ook niet door de regering aangemoedigd.
Opgewekt begon ik daarna aan mijn wandeling en het was een relaxed loopje vandaag, want ik hoefde maar 17 km, dus een wandelingetje van niks. Het was een rustig weggetje en minder saai dan gisteren. Het ging weer een beetje op en neer en onderweg kwam ik langs een paar aardige kasteeltjes.
Ik had wel gedacht dat Oviedo een stadje was, maar het is gewoon een grote stad, ik heb wel anderhalf uur door de buitenwijken gelopen voor ik in het centrum was. Daar was ik om één uur en de albergue gaat pas om vijf uur vanavond open. Ik had niet zo’n zin om de hele middag met mijn rugzak door de stad te lopen, dus ik heb weer heel luxe een hotel genomen. Ik heb nu zelfs een zitje op de kamer, het gaat van kwaad tot erger met pelgrim Theo. Je kunt nu moeilijk nog van ‘afzien’ spreken toch?
Vlakbij mijn hotel is een cafetaria, daar ben ik tussen de middag gaan eten. Daar bediende een ontzettend aardig meisje. Er was nog maar één tafeltje vrij en dat stond in de zon achter het raam, dus het was er warm, maar ja, beter iets dan niets. Op een gegeven ogenblik komt het meisje naar me toe en zegt: “Kom maar, hoor, dan breng ik u even naar een andere zaal, daar is het niet zo warm”. Lief, hè? Dat waren alweer twee hele aardige en behulpzame mensen op één dag. De wereld is zo slecht nog niet.
In Oviedo ben ik eerst naar het postkantoor gegaan om naar de post te kijken. Er was bericht van Andries en Rina met een foto van de dag dat ze mij bezochten. Hartstikke leuk, bedankt! En een kaart van mijn trouwe Geertje natuurlijk. Dat was het.
Toen heb ik de kerk bezocht met de daarbij behorende kloostergang en het museum. Daar ligt onder andere een heel erg mooi gouden kruis, bezet met edelstenen uit 830 na Christus. Toen is dat door ene Pilaryo meegenomen om tegen de Moren te strijden.
O ja, en in de kerk was een kapelletje met aan weerszijden beelden van twee heiligen om de ingang te bewaken. Geloof het of niet, maar die ene heilige, ik weet niet wie het was, maar die lijkt sprekend op Arij. Echt waar, hij was het gewoon, dezelfde houding, hetzelfde gezicht. Ik heb hem dan ook even begroet: “Dag Arij, jij ook hier?”
Ineens deed mijn GPS het niet meer. Ik kon hem niet meer uitzetten en niet meer aanzetten. Daar kreeg ik behoorlijk de pest over in, want net nou begint de Camino Primitivo. Ik heb het opgegeven en Gery gebeld dat de gps het niet meer deed. Die wist het natuurlijk ook niet uit de verte en zei: “Laat toch zitten”, maar dat is toch jammer eigenlijk. Als laatste redmiddel besloot ik vanavond Marnix te bellen, misschien kon die me raad geven.
Enfin, door al dat gedoe wist ik ook niet meer waar mijn hotel was, ik heb steeds maar overal rondgelopen natuurlijk. Ja, ik had de naam van het hotel moeten onthouden, dan had ik de weg kunnen vragen, maar die wist ik ook niet meer. “Nou, het moet al heel gek gaan als ik het niet terugvind”, dacht ik en zie………… ik bleek er nog geen 50 meter vandaan te zijn.
Terug op mijn kamer heb ik de batterijen uit mijn gps gehaald, eens even eraan geschud en zie……….. hij doet het weer! Ik vind dat ik nu mijn eten wel weer verdiend heb. Tot morgen maar weer.
Fleecejack aan
Het eten gisteravond was slecht, maar het gezelschap maakte veel goed. Het was erg gezellig.
Ik heb het vannacht ontzettend koud gehad. Ook vanmorgen, toen we op weg gingen was het koud, mijn fleecejack kon het niet aan. Ja, stil maar, ik weet dat het bij jullie kouder is en herfstachtig en ik weet dat het vanmiddag hier weer 29 graden was, maar vanochtend had ik het gewoon koud. Ziezo, nou weten jullie het.
Gelukkig moesten we vlak na het vertrek heel fors klimmen, 400 meter omhoog op een paar km, dus dat was heftig en daarna had ik het dus niet koud meer. Na die klim ging de weg weer een beetje naar beneden en de rest van de tijd bleef dat zo en liep ik over een asfaltweg. Dat loopt wel makkelijk, maar is nogal saai. Vanmorgen liep ik met de Fransen uit Lyon, met wie ik gisteravond ook gegeten heb, later weer alleen.
Ik ben al vroeg gestopt, iets na de middag, in Pola de Siero. Ik had wel door kunnen lopen naar Orviedo, maar dan had ik toch morgenochtend eerst naar het postkantoor gegaan om te zien of er post is. “Ik kan eigenlijk net zo goed morgen gaan lopen”, dacht ik zo.
Dus ik had een vrije middag. Die heb ik nuttig besteed door eerst eens uitgebreid te gaan eten. Ik heb tussen de middag twee uur aan tafel gezeten en ontdekt dat je hier eigenlijk tussen de middag moet eten, want dan eten ze de heerlijkste zaken en ’s avonds raffelen ze het een beetje af.
Ik veronderstelde dat Pola de Siero wel een dorp zou zijn, omdat er een hotel is, maar het is een echte stad. Niet al te groot, maar wel een echte stad. Leuk, hoor!
Na het eten heb ik de was gedaan, gedoucht en toen was het luieren geblazen: in de zon, op mijn balkon, sigaartje in de mond.
Lopen, lopen, lopen
Gisteravond hebben we met zijn tienen zitten eten: drie Oostenrijkers, een Duitser, een Française, drie Spanjaarden, een Bask en mijn persoontje. Internationaal dus en na het eten spraken wij alle talen. Reuze gezellig.
Vanmorgen om kwart voor acht liep deze jongen alweer over de weg te slenteren, het eerste stuk samen met Martin uit Duitsland. Die vertelde dat hij de eerste keer naar Santiago was gelopen, omdat zijn broer van veertien jaar, toen hij zelf achttien jaar was, is verongelukt en hij daar totaal niet mee uit de voeten kon. Het meeste indruk heeft toen het Cruz de Ferro op hem gemaakt. Nou, daarin konden wij elkaar wel vinden.
Daarna heb ik een stuk gelopen met een Canadese uit Quebec van Italiaanse afkomst. Zij spreekt Engels, Duits, Frans, Italiaans en Spaans. Fantastisch als je zoveel talen spreekt, lijkt me.
Toen we in Villaciosa kwamen, het doel voor vandaag, was het daar een gigantische bende, omdat er groot feest was. Nou is het erg leuk voor de bewoners dat er een groot feest is en ik gun het ze ook van harte, maar waarom moeten dan zo nodig alle bedden in het dorp bezet zijn? Waarom feesten ze niet gewoon de hele nacht door? Dan zou er tenminste voor mij ook nog een bed geweest zijn. Nu was er met geen mogelijkheid een slaapplaats te bemachtigen en er is ook geen refugio. Dus er zat niets anders op dan maar door te lopen. Hup in de benen en nog 10 km verder naar de volgende gelegenheid.
Om kwart over zes vanavond kwam ik in Valdedios aan en toen had ik 38 km afgelegd. Niet gek voor een ouwe baas. Ik heb een slaapplaats gevonden in een deel van het klooster en die 10 km doorlopen zijn helemaal beloond, want dit is het mooiste klooster dat ik ooit gezien heb. Het is prachtig.
Van het originele klooster staat alleen nog een klein Romaans kerkje, maar dat is schitterend gewoon. Ik was net op tijd voor de avondmis en voor wat hoort wat natuurlijk, dus daar ben ik heen gegaan. En daar heb ik absoluut geen spijt van, want de monniken hebben zo schitterend gezongen, prachtig gewoon. Zo zie je maar weer, die 38 km ben je zo weer vergeten als je zoiets moois ziet en hoort.
Ik ben nu van de Camino del Norte afgeweken en aan de nieuwe gids begonnen. Eerst naar Orviedo en daar begint officieel de Camino Primitivo. De omgeving en de route zijn dus weer geheel nieuw voor me, want hier ben ik nog nooit geweest! Ik heb er zin in!
Poncho aan, poncho uit
Ik dacht al: “Zou het altijd zulk mooi weer blijven?” Nee dus. Vanmorgen ben ik in de regen op weg gegaan, dus de poncho aan. Daarna werd het weer even droog, dus poncho uit. Vervolgens kwam de ene gigantische bui na de andere over met steeds even droog daar tussenin, dus poncho aan, poncho uit. Nou kun je wel besluiten de poncho maar aan te houden, omdat het toch weer gaat regenen, maar dat loopt niet zo lekker en bovendien krijg je het dan erg warm.
Behalve het feit, dat ik dus steeds aan de kant moest voor die poncho en behalve het feit dat ik af en toe moest schuilen als het al te erg werd, was het een rustige wandeling. Onderweg kwam ik alleen een Engelse fietser tegen en we hebben een poosje staan praten. Hij rijdt ongeveer 80 km per dag, alleen vandaag niet, want hij had zich verslapen.
Vanmiddag had ik het probleem van de poncho niet meer, want toen regende het gewoon aan één stuk door.
Tegen drie uur ben ik gearriveerd in La Isla. Het wasje doen en lekker douchen is dan het eerste werk. Gisteren kwam ik langs een kapper en daar ben ik naar binnen gestapt om mijn haar te laten knippen. Ik dacht: “Dat gaat in één moeite door”. Het meisje dat mijn haar knipte, sprak geen woord buiten de deur. Ik spreek geen Spaans, dus het was een zwijgzame sessie. Maar ik ben weer een pront ventje.
“La Isla” klinkt erg mooi, maar in de praktijk stelt het niet veel voor. Op 50 meter afstand van de kust ligt een rots in zee. Aan de kust zelf is een strand, er staan een paar villa’s, er zijn twee hotels, een cafetaria en een restaurant en dan heb je het wel gehad. Als het mooi weer is, schijnt het hier overvol te zijn, zodat je echt nergens meer kunt parkeren, maar met dit weer is er geen levende ziel te bekennen natuurlijk. Met die regen en die kou! Ik spreek over kou, want het is maar 22 graden hier, maar Gery zegt dat het bij jullie maar 16 graden is. Ik zal dus niet klagen, alleen zeggen dat het warmer kan.
Morgen hoop ik tot Villaviciosa te komen en de dag daarna ga ik dan weer het binnenland in, de Camino Primitivo op, de route die ik nog niet gelopen heb. De berichten daarover zijn verschillend: de een zegt dat er niets aan is, want het is er eenzaam en de afstanden per dag zijn groot, omdat er weinig overnachtingsmogelijkheden zijn. De ander roept dat het de mooiste route is die hij ooit heeft gelopen. Ik ben benieuwd, ik kijk ernaar uit.
De herberg is vol
Gisteravond heb ik heel goed gegeten. Ik word het dagmenu een beetje zat, want dat is in alle restaurants bijna hetzelfde, dus ik heb een mevrouw die een beetje Frans sprak, gevraagd naar een goed restaurant. Dat heeft ze me gewezen en daar zou ik ook al om half negen terecht kunnen.
Dat kon ook wel, ik mocht gewoon binnen, werd aan een tafeltje geïnstalleerd, maar kreeg geen eten voor negen uur. Voor die tijd werden er alleen maar ‘omtrekkende bewegingen’ gemaakt: servet gebracht, brood gebracht, water gebracht, enz. En toen het negen uur was, kwam het eten op tafel. Het kan gewoon niet hier in Spanje, vroeg eten, om half negen eten is net zoiets als bij ons om half vijf gaan eten. Het voegt gewoon niet.
Het eten was erg lekker: iets met asperges vooraf, een sole mio (soort biefstuk) met gebakken aardappeltjes en sla en een heerlijk dessert toe. Daarna kreeg ik koffie met cognac van het huis, dus ik ging goed gevoed en voldaan naar bed.
Vandaag heb ik weer lekker op mijn gemakje gelopen, weer zonder medepassagiers. Aardig is dat, ik loop nu voor de derde keer, maar iedere keer is anders. Dit keer zijn er minder pelgrims onderweg, ik denk dat dat komt omdat ze niet in de zomer willen lopen, maar het lopen gaat zo mogelijk nog relaxter dan de vorige keren. Ik loop gewoon heel lekker.
Toen ik in Ribadesella arriveerde, was ik eigenlijk van plan nog verder te lopen, maar het werd erg warm, 29 graden aan zee, en ik had geen zin meer. Dus ik ben gewoon gestopt. De jeugdherberg zit vol, dus het werd weer een hotel, Corrie! Een keurige kamer, 50 meter van de zee en inclusief ontbijt € 33. Ik snap echt niet hoe ze het kunnen doen voor dat geld, temeer daar dit toch een badplaats is. Het toerisme wordt nu trouwens duidelijk minder. Er zijn geen gezinnen met kinderen meer bijna, alleen een grote ‘grijze golf’. Bij aankomst in Ribadesella zag ik zowaar ook twee pelgrims.
Na het douchen en de was ben ik weer naar de stad gelopen op zoek naar een internetcafé. Ik werd naar de bibliotheek verwezen, daar hadden ze wel een computer. Ik hoorde van Gery dat de website gisteren uit de lucht is geweest, nou, mijn schuld is het niet, ik had niks gedaan! Maar ik begrijp dat Marnix weer druk bezig is geweest en dat ie het weer doet. Marnix: dank, dank, dank!
Na al deze werkzaamheden is het nu tijd voor ontspanning en ik doe net als de Spanjaarden: ik leef op straat. Dat wil zeggen: ik zit op een pleintje op een terras met een pilsje. Mijn enige zorg is nu dat dit pilsje bijna op is. Dus ik moet weer een nieuwe bestellen. Druk, druk, druk toch!
O, nu zie ik alweer twee pelgrims voorbij lopen.
Barro aan zee
Het eerste stuk vandaag was naar Llanes. Nu zijn ze daar het laatste stuk van een autoroute aan het aanleggen en dat houdt in, dat de route zoek is geraakt. Er zijn geen bordjes meer en als ik het gidsje volg, klopt dat van geen kanten.
Dus gezien mijn ervaringen van gisteren heb ik dat stuk de N 634 gevolgd, dus over de gewone asfaltweg. Dat loopt lekker vlot weg, dus ben ik maar doorgelopen toen ik in Llanes was. Het wordt eentonig misschien, maar ook vandaag valt er eigenlijk niet veel meer te vertellen dan dat ik lekker gelopen heb. De meeste tijd loop ik in mijn eentje. Het lijkt wel of ik iedereen voorbijloop, want ik zie ze één dag en daarna zijn ze verdwenen. Ach ja, zo gaat dat.
Ik heb een stukje gelopen waar de Picos de Europa bijna tot in zee loopt. Er is nog maar een heel smalle strook met een autoweg, een spoorlijn en wat huizen. Dus ik liep met aan mijn linkerkant hele hoge bergen en aan mijn rechterkant de zee. Dat was erg mooi.
Nu ben ik aangekomen in een hostal in Barro. Dat ligt aan zee, dus het is er aangenaam toeven. Dat kan niet helemaal van mijn hostal gezegd worden, want het is vroeger vast wel goed en netjes geweest, maar het heeft nu een hoog spinraggehalte, zal ik maar zeggen. Nou ja, het is maar voor één nacht, dus geen ramp.
Alles gaat verder prima, mijn voeten houden zich uitstekend, alle wondjes zijn dicht en de algenpleister doe ik er alleen nog op voor de zekerheid. Ik heb geen enkele blaar. Ik heb alleen blaren gehad op de dag dat het zo ontzettend geregend heeft, vrijdag was dat, geloof ik. Dat is natuurlijk geen wonder, want natte voeten in natte schoenen: als je dan nog geen blaren krijgt, krijg je ze nooit. Mijn schoenen zijn twee dagen nat gebleven en mijn gidsje is zelfs nu nog niet helemaal droog. kun je nagaan.
Over blaren gesproken: Onderweg naar San Vicente heb ik een stukje gelopen met een meneer uit Geneve. Die vertelde dat hij thuis altijd veel in de bergen liep en gedacht had: “Ik ben het gewend, ik doe dit wel even”, maar helaas: hij is wel gewend om in de bergen te lopen en had daar geen enkele moeite mee, maar hij is niet gewend om zo lang te lopen. Gevolg: De helft van zijn voeten is overdekt met blaren. Nu stopt hij eerder en neemt soms een dag rust, want hij wil het wel halen natuurlijk, zoals iedereen die hieraan begint. Maar dat viel dus vies tegen.
Goed, pelgrim Theo loopt nog een paar weekjes door……… en hoopt op de goede afloop!

