Om zes uur was ik vandaag uit de veren en om zeven uur kreeg ik van de nachtportier een prima ontbijt met net zoveel boter als ik hebben wilde en niet van die schlemielige kleine stukjes. Bij het ontbijt bleek dat er nog twee gasten in het hotel waren, een Marokkaans echtpaar, dat op weg was naar Marokko. Toen hebben wij samen even de problemen met Marokkaanse jongeren besproken. Ze zagen er vrij traditioneel uit, maar waren resoluut in hun uitspraken. Geen gepraat over een andere cultuur en zo, maar gewoon ferm: “Ze zijn gewoon slecht opgevoed door hun ouders, die denken dat ze nog in Marokko zijn, maar zo is het niet, ze moeten zich aanpassen”.
Na dat lekkere ontbijt en dat goede gesprek ging ik weer gesterkt op pad. Vanmorgen was het weer redelijk stabiel. Af en toe was er wel veel bewolking, maar ik heb ook de zon gezien en het was een graad of tien, dus minder koud dan gisteren. Het enige probleem was de toestand van het pad. Die was abominabel, een en al modder, dus het was weer glibberen en glijden. Mijn zolen beginnen al aardig te slijten, dus het profiel wordt minder. Bovendien heb ik door de constructie die de orthopedisch schoenmaker in mijn schoen heeft gemaakt om mijn enkel te ontlasten, geen hak meer aan de buitenkant van mijn schoen en zodoende minder grip. Nou, schoenen? Ze zien er niet meer uit, onder de modder en heel vies. Dat staat wel stoer pelgrimachtig misschien, maar fraai is het niet.
Tussen de middag heb ik een boccadillo, een Spaanse sandwich, gegeten en de rest van de tocht was het regen – droog – regen – droog – regen. Met andere woorden: poncho aan – poncho uit – poncho aan – poncho uit – poncho aan. Toen was ik dat uit- en aangedoe zat en dacht: “Dan maar nat!” Van schrik werd het toen droog. Dat had ik eerder moeten weten.
Vandaag ben ik voor het eerst tijdens deze route een bergrugje overgestoken. Tot nu toe was de stijging niet meer dan een meter, maar nu begint het erop te lijken. Aan de andere kant van de berg kwam ik op een grote vlakte vol met fruitbomen en in de verte uitzicht op bergen met sneeuw erop. Een prachtig gezicht.
Elke camino is anders en elke camino leer ik er weer iets bij.
In mijn gidsje stond dat in Mora op de laatste zaterdag in april het olijvenfeest gevierd wordt. Dat vond ik best, want tenslotte was dat afgelopen zaterdag en het is nu maandag. Even voor Mora zag ik een hotel, maar aangezien in de gids stond dat er in het centrum ook een hotel is, ben ik doorgelopen, want in het centrum is natuurlijk leuker. Het was ijzingwekkend stil op straat, er was echt helemaal niemand te zien. Tot ik in het centrum kwam. Daar waren ze allemaal, compleet met muziek, kermistenten, lawaai en heel veel mensen. In de cafetaria van het hotel kon je over de hoofden lopen en op mijn vraag om een kamer volgde een zeer bondig antwoord: “Nee, we zijn dicht, want het is feest!” Ik waagde nog een poging door te zeggen dat ik verder niets hoefde, alleen een kamer, maar het bleef nee. De zoon zag mijn schelp, vroeg of ik pelgrim was en zei vervolgens dat hij vorig jaar ook zo’n tocht gemaakt had. Enthousiast wilde hij daarover uit gaan weiden, maar kreeg van moe op zijn donder: er moest gewerkt worden. Bedremmeld droop ik af.
Geen nood, volgens mijn gidsje is er ook een albergue. Het politiebureau was vanwege de feestelijkheden ook dicht, maar ik zag een agent op straat. Volgens hem was er geen albergue meer. Uiteindelijk ben ik teruggelopen naar het hotel dat ik het eerst gezien had, buiten het dorp dus. Dat was ook dicht, maar als ik verder niet zeurde kon ik wel een kamer krijgen. Dus ik heb in ieder geval onderdak.
Ja, zeg nou zelf, hoe kon ik nou weten dat ze met olijvenfeest op ‘de laatste zaterdag van april’ bedoelen ‘van vrijdag tot en met dinsdag en woensdag is het 1 mei, dus dan doen we ook niks’?




Ik probeer het gemeentehuis te bellen, maar ja, op zondag is er natuurlijk niemand. En het hele dorp is uitgestorven, geen kip te zien. Dus ik loop en loop. Dan zie ik een meneer naar buiten komen en naar zijn auto gaan. Ik zeg gedag, maar dan ziet hij mijn schelp: “O, bent u een pelgrim? Gaat u naar Santiago?” Ik ben natuurlijk altijd in voor een praatje, dus we babbelen wat en ik maak van de gelegenheid gebruik om te vragen of er ergens een hotel of refugio is. “Nee, die is er niet”, zegt hij, “maar wacht maar even, dan bel ik de burgemeester”. Dus ik wacht netjes en ja hoor, ik mag slapen in het sportcentrum van het dorp. “Hoe kom ik daar?”, vraag ik, maar ook daar weet hij raad op, want hij roept zijn zoontje van een jaar of negen en deze Pablo moet mij maar naar het sportcentrum brengen. Pablo kijkt wat schichtig naar zo’n vreemde kerel in zo’n rare uitmonstering, maar gelukkig ziet hij een vriendje, Bernardo, en die wordt ook gecharterd. Ik probeer een praatje met ze te maken in het Engels en onbekommerd spuien ze alle woorden die ze kennen. Onderweg komen we een vriendinnetje van hen tegen, Angel, die nieuwsgierig is natuurlijk. Daar wordt uitgebreid en vol trots tegen verteld dat deze meneer een pelgrim is en helemaal uit Holland komt. En dan gaat de expeditie dus verder met drie kinderen, die echt alle woorden gebruiken in het Engels die ze kennen.