2011: Via de la Plata

Een onrustige nacht

De Pool op onze kamer heeft inderdaad verschrikkelijk gesnurkt, niet normaal gewoon. Tot overmaat van ramp ging een van de Koreanen toen ook nog in zijn slaap liggen praten. Ik zag de een na de ander met zijn kussen onder zijn arm uit de kamer verdwijnen en uiteindelijk heb ik ook mijn matras en deken gepakt en ben op de gang gaan slapen. Nou was dat ook geen onverdeeld genoegen, want bij elke beweging ging het licht aan. De anderen hadden een bank veroverd in de zitkamer, maar ook daar ging het licht aan bij elke beweging. Kortom, de enige twee die voortreffelijk geslapen hebben, zijn de Pool zelf en de Koreaan.

Om zes uur was ik daarom al uit bed en voor zevenen al op weg. Eerst zijn we naar het dorp gelopen om de sleutel weer weg te brengen, toen naar de bar om te ontbijten. Die was nog dicht, dus dan maar gaan wandelen. De eerste 4 km gingen over de asfaltweg, dus dat liep gemakkelijk.
Maar toen werden we door de gele pijlen de bergen in gejaagd en dat stuk was ontzettend zwaar. Drie uur lang over rollende stenen en rotsblokken en dan ook nog klimmen van 600 naar 1100 meter, ik geef het je te doen. Het was nog niet zo zwaar als in de Pyreneeën, maar het kwam er wel dichtbij. Gelukkig werden we boven op de berg beloond met een wondermooi uitzicht.

Daarna ging het naar beneden tot we gelukkig een bar vonden. Toen we binnenkwamen kreeg iedereen een viltstift en een Jakobsschelp. Op de Jakobsschelp moest je je naam en de datum zetten. De barman hing die vervolgens op. De hele bar hangt dus propvol met Jakobsschelpen met namen en data, ze zitten zelfs tegen het plafond. Erg leuk, alleen de Fransen vroegen zich natuurlijk meteen af wie alle inhoud opgegeten had.

Schelpenbar-web

Het was een mooie route, alleen werd het wel erg warm. In Vilar de Barrio hebben we iets gegeten. Ik had geen zin om daar te stoppen, dan zit je weer een hele middag te niksen, want er is niets te zien daar. Dus ben ik maar weer verder gekuierd tot Xunqueira de Ambia. Eerst kwam ik terecht in de albergue, daar was nog een bed voor mij. Toen ik ging betalen, heb ik gevraagd of er ergens een hotel was, want ik wil niet het risico lopen vannacht weer uit de slaap gehouden te worden. Er was geen hotel, maar wel een Bed & Breakfast. Die heeft ze gebeld en die zijn me na een half uurtje op komen halen, dus ik hoefde niet eens meer te lopen.

Om half acht ga ik eerst naar de mis en de Bed & Breakfast zit naast het restaurant waar alle pelgrims vanavond eten, dus ik zit niet alleen, maar… ik slaap vannacht wel alleen!!

Het begint al erg op te schieten. Ik heb het uitgerekend, morgen ga ik tot Ourense en daar blijf ik een dag en als alles goed gaat, sta ik over precies een week weer op het plein voor de kathedraal in Santiago de Compostela. Gery begint al aanstalten te maken, zij wil met de auto komen en er drie dagen over doen en dan kunnen we daarna op ons gemak samen de terugreis doen en missschien een paar dagen ergens blijven als we iets leuks tegenkomen.
Op die manier kan ik vast weer een beetje aan het ‘gewone’ leven wennen.

Categorieën: 2011: Via de la Plata | 2 reacties

Het wordt weer een echte club

Jazeker, pelgrim Theo, de ouwe baas, heeft vandaag een fors eind gelopen, meer dan 35 km. Om zeven uur stond deze jongen alweer buiten, in de ijzige koude en een dikke mist. Dat jullie niet denken dat het elke dag maar zonneschijn rondom is, zie je. Het was echt steenkoud en dat duurde bijna drie uur. Ik bedoel maar, dan lees ik in mijn gids dat ik een prachtige route loop met mooie uitzichten en weet ik wat allemaal meer, maar ik zie alleen maar mist. Het enige voordeel was dat de route bestraat was, zo liep je tenminste wel goed, anders zou je nog verdwalen ook.

Zo, genoeg geklaagd, want na ruim tweeëneenhalf uur, brak de zon door. Ineens was het weer warm en kon ik eindelijk zien waar ik nou eigenlijk liep. En ik moet zeggen, het klopte wel wat er in mijn gids staat. Het was inderdaad erg mooi, overal bloemen en bloeiende hei, mooie uitzichten met diep beneden me uitzicht op het stuwmeer.

Halverwege belandden we in Campobecerros en daar was zowaar een bar. Het zag er weliswaar niet zo erg schoon uit, maar alle pelgrims stortten zich op de bar. Het was inderdaad niet schoon en de koffie was ook niet best, maar alla, geen gemopper. Na dit oponthoud liepen we weer welgemoed verder en na 200 meter gelopen te hebben, kwamen we….. bij een bar die er erg netjes en schoon uitzag. Maar ja, toen gingen we niet nog een keer koffiedrinken natuurlijk. Het kan wel op, al is het lekker.

Na dit dorp werd het landschap ineens heel anders: veel bossen, we daalden heel ver naar beneden en het was er doodstil. Er heerste absolute stilte, alleen hoorde je soms heel in de verte het ruisen van een watervalletje of beekje, zelfs de wind was gaan liggen. En steeds had je zicht op de valleien beneden je. Voor iemand als ik, die regelmatig door de uiterst platte Wormer wandel, waar je honderd keer opzij moet voor auto’s, motoren en brommers, was het echt heel mooi.

Het laatste stuk ging vrij steil naar beneden en over een asfaltweg. Dat is niet fijn, want dan loop je steeds met knikkende knieën jezelf tegen te houden. En je bent natuurlijk toch niet kakelvers meer na zo’n eind.
Maar goed, Laza wenkte aan de horizon en als je gewoon doorloopt, kom je er vanzelf. Er was geen hostal te bekennen, dus dan maar de albergue. Daarvoor moesten we ons melden in een soort gebouwtje van de BB, Rode Kruis, een soort gezondheidscentrumpje of zo. We werden ingeschreven en kregen toen allemaal een sleutel mee van de kamer. Vervolgens was het nog een eind lopen, maar aan de rand van het sportterrein wachtte ons toen een splinternieuwe albergue. Heel erg mooi en heel erg netjes. Er zijn een stuk of vijf kamers met in elke kamer vier bedden en er is zelfs een apart dames- en herentoilet. We zitten dus op chic.

Albergue-Laza-web albergue van Laza

We vormen zo langzamerhand weer een echte club, omdat je elkaar elke avond weer ziet. Claudine is er weer, het Italiaanse stel en de Engelsman, van wie ik nu ook de naam weet: Michel. Van de Koreanen snap ik niets. Af en toe duikt er ineens weer iemand op, nadat je ze een hele tijd niet gezien hebt. Ook het ruziemakend stel is weer present. Het zijn trouwens geen Duitsers, maar Oostenrijkers uit Tirol. Of ze hebben knetterende ruzie, of het is lachen, gieren, brullen. Ik houd me maar een beetje afzijdig.

Vanavond slaap ik weer met onze snurkende Pool op dezelfde kamer, dus we krijgen weer een nachtconcert!

Categorieën: 2011: Via de la Plata | 1 reactie

Ontbijt om twaalf uur

Gisteravond heb ik gegeten met onze Engelsman, van wie ik ook de naam niet weet en de Française, van wie ik inmiddels wel de naam weet. Ze heet Claudine en komt uit La Rochelle. Het eten was gezellig. Ik heb ook nog met een paar Italianen gesproken en ook dat is weer ander volk. Ze kunnen het Spaans wel verstaan, maar doen alsof het een of ander vreemdsoortig dialect is, ‘een boers dialect’. Ze voelen zich ver boven Spanje verheven en vinden dat zij de beschaving hebben gebracht. In Italië zijn ook grote wandelroutes, onder andere van Engeland naar Rome, maar daar vinden ze het te duur.

Vanmorgen om zeven uur liep ik alweer op straat. Eerst ging ik naar beneden, een diep dal in en dan voel je het al aankomen. Als je zo ver naar beneden gaat, moet je ook weer een keer omhoog natuurlijk. En dat klopte, nauwelijks was ik de rivier overgestoken of het ging steil omhoog en dat werd drie uur achter elkaar klimmen. Toen was ik op de top en dit keer was alles zoals het hoort: een prachtig uitzicht en echt bovenop de berg staan. Daar ging ik ook de grens over van Castilië naar Galicië, de laatste provincie op mijn reis. Het enige nadeel was dat er niets te eten of te drinken was.
Dus dan maar weer uit hoger sferen afgedaald naar beneden en na 12 km was er een Spa-hotel, een schitterend hotel even buiten een dorp. Daar kon ik dan eindelijk een lekker ontbijt verorberen, al was het inmiddels twaalf uur geworden. Maar dat geeft niet, want de lunch is toch pas om een uur of twee, dus dan kan je best om twaalf uur nog ontbijten. En het smaakte des te lekkerder, omdat ik er zolang op had moeten wachten. Bovendien sprak het meisje dat bediende een mondje Frans. Ze durfde eigenlijk niet, maar toen ze eenmaal bezig was, ging het best goed.

Heide-web

De rest van de route ging door heidevelden met overal weer schitterende bloemen. De hei bloeide al, maar het is volgens mij wel een ander soort dan bij ons. Het was een prachtig gezicht. En nu zit ik dan in A Gudina. Ik kwam eerst bij een hostal, maar dat zag er zo armoedig uit, dat ik ben doorgelopen naar de albergue. Voordat ik er was, haalde ik Claudine in en toen we bij de albergue kwamen was de Engelsman er ook al, dus iedereen is weer op de bestemming. Er was nog net één bed voor mij. Het is druk, er zijn zo’n vijfentwintig bedden en die zijn allemaal nu al bezet en er moeten nog mensen komen. Dit dorp is iets groter dan de doorsneedorpen, er zijn wel vijf bars, dus we zullen niet van de honger omkomen.

Morgen wordt het weer een lange tocht, we moeten ongeveer 36 km lopen naar de volgende plaats. Dus dat wordt even aanpoten.
Ik moet nu nog ruim 200 km en dan ben ik in Santiago. Waarom gaat het eigenlijk zo snel??

Categorieën: 2011: Via de la Plata | Een reactie plaatsen

Tapcider

Er was voor vandaag heel veel regen voorspeld, dus ik was van plan om tot Padornelo te lopen bovenop de berg en daar in een hotel te gaan. Het zou vandaag klimmen worden.
Ik vertrok vanochtend gelukkig bij droog weer, dus hup, de berg op. De eerste 12 km was het alleen klimmen geblazen, maar het viel me erg mee. Het ging meestal geleidelijk omhoog met maar af en toe een paar echte ‘colletjes’. Het laatste stuk naar boven liep ik samen met de Française, van wie ik nog steeds de naam niet weet en ik vergeet het steeds te vragen.
En dan zie je weer eens dat je je van veel dingen een verkeerde voorstelling maakt. Ik had gedacht dat ik eindelijk op de top aan zou komen en dan een fraai uitzicht zou hebben of zo. Nou, we hebben er niets van gemerkt, alleen ontdekten we dat we naar beneden liepen en niet meer omhoog. Zo zie je maar weer. In een bar onderweg hebben we een boccadillo gegeten en iets gedronken.
Toen ik bij het hotel kwam, zag ik dat het hotel op een parkeerplaats stond voor vrachtauto’s en verder was er niets in de wijde omtrek. Het was pas één uur en ik zag er tegenop daar de hele middag te moeten zitten.
Ja, wat doe je dan? Je besluit gewoon door te lopen. Tenslotte was het nog steeds droog. In de gids stond dat ik nu een stuk weg zou krijgen dat zelfs bij droog weer bijna altijd onder water staat en ik had niet zo’n zin meer om weer door allerlei beekjes te waden en waarschijnlijk ook nog door de regen, dus ik heb vervolgens 9 km over de gewone weg gelopen. Achteraf gezien was dat ook niet nodig geweest, want ik heb zegge en schrijve één buitje gehad, waarbij ik voor de zekerheid mijn poncho heb aangetrokken, maar eigenlijk was zelfs dat niet nodig.
Ik kreeg vandaag dus de ene wijze les na de andere. Je kunt van alles verwachten, maar het loopt toch allemaal anders dan verwacht. Soms valt het dan mee en ja, soms valt het dan ook tegen.

Nu zit ik in Lubian. Het dorp is niet groot, maar er is wel een winkel en dat is heel wat in dit verlaten deel van Spanje. Er is ook een refugio, maar ik heb gekozen voor een kamer in een pension. Of pension? De baas van de bar verhuurt een paar kamers boven de bar. Ik moet zeggen dat de kamer er mooi uitziet en heel erg schoon is.
Op deze camino lopen nog steeds naar verhouding vrij veel mensen. Niet zoveel als op de Camino Frances uiteraard, maar hoe verder ik naar het noorden kom, hoe drukker het wordt. Er lopen altijd wel mensen honderd meter voor of achter je. En het zal vanaf Ourense nog wel drukker worden, want dan is het ongeveer honderd kilometer voor Santiago, dus dan stromen de Spanjaarden weer in.

Je kunt ook merken dat we hoe langer hoe dichter bij Galicië zijn, de huizen worden ineens anders en rondom de begraafplaatsen zie je weer de muurtjes met punten zoals in Galicië. In de bar beneden zijn uiteraard tapkranen voor de verschillende soorten bier, maar er is ook een tapkraan voor cider. De cider lijkt niet echt op de Franse cider, deze is veel bitterder. Maar je kunt dus een ‘tapcidertje’ bestellen en dat kun je verder nergens.

Onze Engelse vriend uit Oxford vertelde dat hij gisteravond in een restaurant bijzonder goed gegeten heeft. Hij had zich netjes aangekleed voor de gelegenheid en zat aan tafel zijn verslag in een boekje te schrijven. Vermoedelijk dacht het personeel toen dat hij een soort controleur was, want alles werd hem aangedragen. Hij kreeg de ene heerlijkheid na de andere aangeboden. Alweer: het is vaak niet wat het lijkt.

Al met al heb ik er vandaag weer 30 km opzitten. Ik had niet zoveel vertrouwen in mijn schoenmaker in Salamanca, maar ten onrechte: de zool zit nog steeds vast onder mijn schoen.
Dus het blijkt maar weer eens: de camino is vertrouwen hebben en gewoon maar zien wat er op je afkomt.
Na deze wijze woorden ga ik nu naar de refugio om even te kijken wie daar vandaag zoal aangekomen zijn.

Categorieën: 2011: Via de la Plata | 1 reactie

Hoera, een bad!

Nog even terug naar gisteren. Ik heb me dit keer negatief verbaasd over deze plaats. Toen ik aankwam, zaten er een heleboel vrouwen voor de deur op straat, zoals ze hier veel doen. Ik liep te zoeken naar de albergue, maar de weg wijzen….ho maar. Gisteravond ben ik naar de mis geweest, die werd gewoon afgeraffeld en tien minuten later stond ik weer buiten. Ik heb dit echt nooit eerder meegemaakt, dit was weer een geheel nieuwe ervaring.

In de albergue zat een Pool, die ging gisteravond biddend de mis in en kwam er biddend weer uit. Een echt vrome Pool dus. Vannacht sliep hij de ‘slaap der gerusten’ en deed dat zo luidruchtig dat de hele albergue ervan daverde. Wat kon die man snurken!! Vanochtend om kwart voor zes was hij wakker, stond op en ging zijn spullen inpakken. Iedereen probeerde nog wat te slapen, de Pool kon in het donker niets zien, had zo’n lamp bij zich, die je op je voorhoofd kunt dragen en vond dat een goed idee om zichzelf bij te lichten. Iedere keer als hij zijn hoofd bewoog, ging er een soort schijnwerper door de zaal.

Nog iets aardigs: Gisteravond kwam een Duits stel zeer luid ruziemakend de albergue binnen, ze scholden elkaar voor alles en nog wat uit. Nou, dat kan natuurlijk altijd gebeuren, dus we keken dat zo’n beetje aan. Op een gegeven moment is de ruzie kennelijk bijgelegd, want vanmorgen lagen ze lepeltje-lepeltje tegen elkaar te kirren. Tot ze opstonden…. toen barstte de ruzie in alle hevigheid weer los. Je beleeft wel een hoop in zo’n albergue dus.

Maar goed, vanmorgen heb ik dit dorp voorgoed verlaten en ik zal er niet meer terugkeren. Geloof het of niet, maar er liep een man zijn hondje uit te laten en zelfs dat hondje deed lelijk tegen me.
Het pad vandaag was ontzettend slecht, omdat het vannacht heel erg hard geregend heeft. Grote plassen, heel veel modder. Het werd dus soppen in het water, vastzuigen in de modder en uitglijden over gladde stenen. Ik meld dit even voor het geval jullie denken dat het leven van een pelgrim alleen maar uit zonneschijn bestaat.
Ik had wel een troost: onderweg kon ik wel twee keer koffiedrinken dit keer. Toen ik de koffie op had en verder ging, kwamen de Française en de Engelsman net aan. Ik dacht dat ze ver voor me uit liepen, maar ze bleken achter me te lopen. Verder heb ik ze niet meer gezien.

De hele dag heeft er regen en slecht weer gedreigd, maar ik ben droog overgekomen. Een boer onderweg zei dat het om één uur zou gaan regenen. Het werd twee uur, maar nu bulkt het weer uit de lucht. Zoals jullie weten, wilde ik een goed hotel. Ongeveer 1,5 km voor Puebla de Sanabria zag ik een hotel, dat er goed uitzag, maar ik wilde toch wat meer in het centrum. En nu leerde ik weer een wijze les, het gaat altijd anders dan volgens je mooie planning. Ik kwam namelijk een paar politieagenten tegen en vroeg hen naar een goed hotel. Eerst dachten ze dat ik een hotel voor pelgrims zocht, maar ik heb ze duidelijk gemaakt dat dat niet de bedoeling was. O, ik wilde een drie- of viersterrenhotel? Nou, ze wisten een prima hotel voor me. Als ik even een kwartiertje rechtdoor liep, kwam ik er vanzelf. Ja, ja.
Ik was even vergeten dat, als een Spanjaard vertelt hoeveel tijd iets kost, hij altijd rekent alsof je met de auto bent. Dus ik liep en liep en liep, heb het kasteel van de stad aan alle kanten gezien en kwam uiteindelijk aan in het hotel, dat………. 4 km buiten de stad ligt!!

Maar het is een mooi hotel en er zit een goed restaurant bij, dus ik heb mijn zin. Een mooie badkamer met ligbad, daar ben ik eerst eens drie kwartier in gaan liggen. Eerlijk gezegd hadden ze het bad niet zo handig ingericht, want als je aan de ene kant ging zitten zat je op de stop van de afvoer en als je aan de andere kant ging zitten, zat je met de kraan in je nek. Maar ik nam dat voor lief, want ik moest en zou natuurlijk in bad.
Het was heerlijk en vannacht slaap ik zonder gesnurk. Misschien met mijn eigen gesnurk, maar dat hoor ik toch niet.

Categorieën: 2011: Via de la Plata | Een reactie plaatsen

Een onsympathieke plaats

Vanmorgen vertrok ik om kwart over zeven zonder ontbijt, maar met de overtuiging dat er na 3 km een bar zou zijn waar ik ontbijt kon krijgen. Nou, die bar was er ook na 3 km, alleen was hij wel dicht. Het gevolg was dat ik daarna nog 16 km heb moeten lopen zonder eten of drinken (nou ja, alleen water). Nou gaan jullie natuurlijk zeggen dat ik ook iets mee had moeten nemen. En ja, daar hebben jullie ook gelijk in. Alleen, dat had ik nou eenmaal niet gedaan.

Pas om twaalf uur, toen ik in Rionegro was, was er een bar open. Die mensen hebben zich heel erg uitgesloofd om iets lekkers voor me te maken en waren heel erg vriendelijk. Ze zeiden ook dat ik in die plaats in de albergue kon gaan slapen. Die albergue wordt daar sinds de Middeleeuwen door een soort herengilde beheerd. Die hebben dat toen op zich genomen en dat is altijd in dezelfde handen gebleven.
Ik vond het echter nog te vroeg om nu al te stoppen, dus ben toch maar niet naar deze albergue gegaan. Had ik het maar wel gedaan………..

brem-web De laatste 9 km ging ik door een fantastisch landschap, een soort heidegebied. De hei bloeit uiteraard nog niet, maar wel de brem en een soort lavendel en heel veel andere bloemen. Schitterend gewoon.

Ongeveer 2 km voor mijn bestemming van vandaag, de plaats Mombruey, zie ik aan de kant van de weg een hotel. Ik wil vandaag weer in een hotel, maar eigenlijk liever in het centrum, dus ik loop nog even door. In het centrum is een hotel met een bar ernaast en volgens de eigenaar van de bar is het hotel gesloten. Verdere keus is er niet, dus er zit niets anders op dan weer 2 km terug te lopen naar het eerste hotel. Daar aangekomen zegt men dat het hotel vol is. Dus weer 2 km teruggelopen en dan blijft als enige slaapgelegenheid de albergue over. Niets aan te doen.

De albergue is echt verschrikkelijk, zo heb ik ze zelden gezien en ik heb er inmiddels toch heel wat gezien. Er staan elf bedden opgepropt in een ruimte en dan is er één douche voor iedereen en die is zo smerig dat ik er niet met blote voeten in ga staan. Dus vanavond ga ik slapen met de capuchon van mijn slaapzak over mijn hoofd.
Ik geloof trouwens niet dat de beide hotels vol en dicht zijn. De mensen hier zijn niet vriendelijk en dat ben ik in heel Spanje niet tegengekomen. Er was er wel eens eentje niet zo vriendelijk, maar niet allemaal. Kortom, ik vind het gewoon een onsympathieke plaats en ik kom hier nooit meer!!

Zo, dit is gezegd en nu ga ik even de andere kant belichten: mijn medepelgrims zijn wel erg aardig en leuk. Eerst sprak ik met een Française, die al geprobeerd had elders in de omgeving een hotel te zoeken, maar dat is 30 km verderop. Zij vindt het ook vies hier, dus dat is vast gedeelde smart. Bovendien fluisterde ze me in het oor, dat ze met een van de andere pelgrims al eens in een albergue heeft geslapen en dat die zo verschrikkelijk snurkt, dat het de hele nacht door de zaal buldert! Dus dat kan gezellig worden vannacht.

Toen ik even naar de bar in het dorp ging, ontmoette ik een Engelsman uit Oxford en samen hebben wij toen een ‘goed gesprek’ gehad over het feit dat wij, toen we nog werkten, altijd in luxe hotels hebben gebivakkeerd en dat gewoon vonden, dus niet beseft hebben hoe we het hadden getroffen. Nu in onze albergue dromen we van zulke hotels. We hebben er iedere keer nog een schepje bovenop gedaan natuurlijk. Zei de één: “Ja en zo’n mooie douche met warm water en zo lekker schoon”, dan kwam de ander met: “En van die prachtige witte handdoeken, die je niet eens zelf hoeft te wassen”. We hebben vreselijk gelachen. De Engelsman zei vastberaden: “Morgen slaap ik in een hotel, ’t kan me niet schelen wat het kost, ik wil een hotel!!” Hij wist niet of er überhaupt een hotel is in Puebla de Sanaria, de plaats waar we morgen hopen te zijn.

Gery heeft even voor me op internet gekeken en…. hoera, er zijn wel vier hotels, waaronder een parador. Het moet dus goed komen morgen……. morgen gaat deze pelgrim in weelde baden! Alleen eerst nog even 30 km lopen.

Categorieën: 2011: Via de la Plata | 3 reacties

Een stevig stuk

Zo, vandaag heb ik het luie zweet er wel uit gelopen, maar liefst 35 km. Grappig, toen ik in het begin een keer 30 km heb gelopen, was ik behoorlijk kapot, nu na 35 km heb ik daar veel minder last van. Ik heb de hele weg alleen gelopen, tot aan Santa Croya de Tera waren er steeds nog pelgrims voor en achter me, maar daarna heb ik niemand meer gezien. De rest is natuurlijk daar gebleven. Maar ik wilde de zaak wat verdelen, morgen ben ik van plan om 26 km te lopen en dan hoop ik in Mombuey weer een hotel te vinden. Soms is het wat lastig, omdat ik 10 of 15 km te weinig vind en dan worden het er dus bijna dertig.

Ik ben de hele dag bang geweest dat het zou gaan regenen en onweren en ik heb ook wel bliksemflitsen en donkere luchten gezien, maar toch is het al die tijd droog gebleven.
Om vijf uur was ik in Calzadilla de Tera. Ik kon de albergue eerst niet vinden, maar zag een meneer op een bankje zitten aan wie ik de weg heb gevraagd. De albergue? O ja, die wist hij wel, hij liep wel even met me mee. Wij liepen dus gezamenlijk richting albergue, toen hij een kennis tegenkwam. Ja, die wist ook wel waar de albergue was en liep ook even mee. Vervolgens kwam er nog een mannetje bij en toen nog één. En zo liep ik als een minister met zijn gevolg door het dorp met vier Spaans-sprekende ouwe mannetjes, waarbij mijn bijdrage tot het gesprek zich beperkte tot: “Si,si”en “No, no”. Bij de albergue aangekomen, moesten ze ook even mee naar binnen natuurlijk, waar de hele gemeente lag te slapen…
Nou, de hele gemeente? Dit is, denk ik, wel de allereenvoudigste albergue die ik in al die jaren ben tegengekomen. Er zijn zes bedden, één douche en verder is er niets. Dus geen keuken, geen plek om ergens te gaan zitten. Het hele gedoe rond albergues en refugio’s ligt nogal ingewikkeld. Aan de ene kant is elke gemeente verplicht onderdak te bieden, aan de andere kant voelen hotels en pensions het als concurrentie, vooral als er veel voorzieningen zijn. Er schijnt zo hier en daar nogal een flinke strijd tussen die beide te bestaan. Wel logisch ook, want hoe de mensen hier hun brood mee moeten verdienen… dat zal echt geen vetpot zijn.
De burgemeester van het dorp is de beheerder van de albergue. Wie het eerst komt en de deur op slot vindt (wat maar zelden het geval schijnt te zijn) haalt de sleutel bij de burgemeester. In de gang staat een busje,waar je een vrijwillige bijdrage in kan stoppen.

Het dorp zelf is ook niet groot, maar er is een bakker en er is een soort kruidenierswinkel, die tegelijk van alles verkoopt. Daar ben ik heen gegaan om iets voor het eten vanavond in te slaan en de juffrouw die in de winkel stond, bleek Frans te kunnen spreken. Ik moest dus iets hebben waarbij ik geen keuken nodig had en binnen de kortste keren had ze voor mij een voedselpakket samengesteld, ik hoefde er zelf niets aan te doen: serranoham, een stuk kaas, vier bekertjes met rijstepap. Vervolgens kreeg ik de opdracht om bij de bakker een brood te gaan halen en werd er door haar een tekeningetje gemaakt hoe ik de bakker kon vinden. Dat is toch aardig?

Van Ton en Suzanne kreeg ik een sms-je dat ze het steentje dat ik in 2006 bij het Cruz de Ferro heb neergelegd, niet konden terugvinden. Dat verbaast me niets, het geeft ook niet, ik weet dat het ergens ligt.

Categorieën: 2011: Via de la Plata | 1 reactie

De zon komt nu van links

De refugio was vannacht overvol, er sliepen zelfs mensen in de gangen en op de vloer in het café. Om kwart over zes was iedereen wakker vanmorgen en er werd hard gedraafd door iedereen. Onnodig, want de bar ging pas om kwart over zeven open. De helft vertrok zonder ontbijt, maar ik wist dat er de eerste 20 km niets zou komen, dus heb netjes gewacht. Uiteindelijk was ik de laatste die vertrok.

In mijn gidsje stond dat ik na de Romeinse brug linksaf kon gaan als het mooi weer was, maar rechtdoor moest lopen als het regende. Nou, het was mooi weer, dus ik ben linksaf gegaan na de brug. Dat was een schitterende route, ik heb genoten. Ik liep langs de rivier en door een kloof. Prachtig gewoon. Maar inderdaad moet je daar niet lopen als het regent, want dan worden al die stenen spekglad en loop je de kans je benen te breken. Maar nu was het fantastisch.

Toen ik uit de kloof kwam was er helaas geen enkele pijl meer te vinden. Gelukkig maar, dat ik gisteren terug ben gegaan om mijn gidsje op te halen, want nu redde het mij. Daarin stond namelijk dat ik langs een ruïne moest lopen en ja, die ruïne stond er en toen vond ik de pijlen weer terug. Zo zie je maar, zonder gids verdwaalt de pelgrim.
Daarna volgden weer de lange rechte wegen. Ik nader het einde van het plateau, in de verte zie ik veel hogere heuvels. Vanmorgen was er geen wind, vanmiddag wel, maar nu is hij weer gaan liggen.
Ik ben steeds naar het noorden gelopen, maar nu ben ik linksaf geslagen naar het westen. Vanaf Sevilla heb ik de zon steeds rechts achter mij gehad met als gevolg dat mijn rechterarm bruiner is dan mijn linkerarm. Met mijn linkerhand hield ik steeds mijn stok vast en nu is daar mijn elleboog bruin, de rest niet. Vanaf vandaag komt de zon echter van links, zodat mijn linkerarm nu bij kan kleuren. Ja, een mens gaat op alles letten als hij zo in zijn eentje loopt te wandelen.
Ik loop wel in mijn eentje, maar ik kom wel steeds mensen tegen. Ik kwam vandaag alleen geen bekenden tegen tot het moment dat ik Tabara binnenliep. Toen hoorde ik ineens een luid geschreeuw achter me: dat was een van de Koreanen. Waar de anderen gebleven zijn, weet ik niet, daarover had hij een heel verhaal, waarvan ik niets begreep.
Hij had in de refugio van Zamora zijn oplader vergeten en zijn notitieboekje. Margrit heeft die aan een fietser meegegeven en die was het hem komen brengen, dus hij was opgetogen.

Ik zit hier in Tabara in een hotel. Nou moet je je daar niet te veel van voorstellen. Ik heb een kamer, douche en wc zijn op de gang. Ik ben net wezen douchen en kwam tot de ontdekking dat je precies één minuut warm water hebt, daarna wordt het koud. Ik moest me dus afspoelen onder een koude douche en als het water eerst warm is, lijkt het daarna nog veel kouder. Maar goed, voor dat alles betaal ik ook maar € 16, dus dan valt er niets te mopperen.
Het hotel zit vol met pelgrims, die zal ik straks wel ontmoeten aan tafel. Ik kan al om acht uur eten, alles is hier op pelgrims berekend. Volgens mij is dat het enige dat voor de mensen hier nog wat geld in het laatje brengt.

Veel mensen lopen stevig door, ze draven over de camino. Ze hollen natuurlijk niet echt, maar ze lopen wel 40, 50 km op een dag. Dat is niets voor mij, daar houd ik niet van, ik kom er toch wel. Voor mij is het meer: eigenlijk liever morgen dan vandaag. Toch heb ik nu al ruim 650 km gelopen. De voetjes zijn nog steeds prima, de zool van mijn schoen zit vast, ik heb nog tien sigaren en ik geniet nog steeds van elke dag!

Categorieën: 2011: Via de la Plata | 2 reacties

Heen ………. en weer terug

Foto-15-mei-web

Gisteravond heb ik nog een beetje rondgekeuteld en toen ben ik vroeg naar bed gegaan. Dat doet iedereen hier. Ik sliep in een wat luidruchtige omgeving met veel gesnurk, maar ik vrees dat ik ook daaraan meedoe, tenslotte hoor je jezelf niet.

Er was maar één wasbak, dus ik ben vroeg opgestaan, heb een yoghurtje gegeten en om tien voor zeven stapte ik de deur uit naar het café, anderhalve km verderop, want ik wist dat dat om zeven uur openging. Dat was het ook toen ik aankwam, ik voel in mijn broekzak en denk: “Ik mis mijn gidsje. Zeker in mijn rugzak gestopt, want ik heb nog gekeken of ik alles wel had.” Dus ik leeg mijn rugzak tot op de bodem…… geen gidsje. Zonder dat ding gaat het niet, dus ik heb de hele rugzak weer ingeladen en weer anderhalve km terug naar de refugio. Ik kijk onder mijn deken……. en ja, daar lag-ie. Allez, dus maar weer op naar het café om eindelijk mijn ontbijt te nuttigen. Ik maak een praatje met een Hollands stel daar en zodoende ga ik pas om acht uur echt op weg.

Goed, ik loop het dorp uit, volg de gele pijlen, kom aan de oever van een stuwmeer en dan wijst de gele pijl …. rechtstreeks het water in. Er is geen weg meer te bekennen, die staat geheel onder water. Dus voor de tweede keer keer ik op mijn schreden terug en loop dan maar naar de verkeersweg. Daar is gelukkig een brug over het stuwmeer heen, dus de brug over gewandeld en waarachtig, toen kon ik eindelijk weer goed aan de wandel.
Het waren weer kilometerslange, rechte wegen. Ik loop hier op een plateau met wat glooiingen, dus het is heuveltje op, heuveltje af. Het weer was prettig, ca 20 graden en een straf windje. Het schijnt in deze streek altijd te waaien. Ik loop weer alleen, al kom ik wel steeds dezelfde mensen tegen, die ik ’s avonds ook weer in de refugio zie, dus het is beslist geen eenzame route. Deze camino is weer heel anders dan de andere: veel drukker dan de Camino Portugues; wel veel bezienswaardigheden, maar niet in verband met St. Jacob, dus geen echte pelgrimsroute zoals de Camino Frances. Zo zie je, mensen die denken dat het saai is om elk jaar naar Santiago te lopen vergissen zich, het is iedere keer anders. En iedere keer weer leuk!

Onderweg was er zowaar een café in Riego del Camino, waar ik tussen de middag een boccadillo en een cola heb verorberd, omdat ik niet zeker wist of ik later nog gelegenheid zou hebben om te eten.
Om half drie was ik in Granja de Moreruela, mijn bestemming voor vandaag. Ik viel met mijn neus in de boter, want er was net een processie aan de gang, dus een drukte van belang.
Bij de refugio is ook een café, dus daar heb ik gegeten samen met een Hollands stel en drie Spanjaarden. In het café zat ook het ‘maagdenkoor’, dat in de processie had meegelopen, te eten. Ongelooflijk wat een herrie dat weer was, ze schreeuwden uit volle borst. En wij schreeuwden mee, want anders kon je elkaar niet verstaan. Om je de waarheid te zeggen waren de ‘maagden’ nogal bejaard!

Goed, na het eten het gewone ritueel: scheren, douchen, wassen en mijn wasje ophangen en nu zit ik buiten te wachten tot mijn was weer droog is. Uiteraard met een sigaartje erbij, onder een strakblauwe lucht en uit de wind, want die is nog steeds stevig en fris.
Morgen kom ik op een ander route terecht, de Mozarabische Jacobsroute. Ik ben benieuwd of het daar ook weer anders is. We zullen zien!

Categorieën: 2011: Via de la Plata | 1 reactie

Nationaliteit verloochent zich niet

Je kunt jezelf wijsmaken dat je ‘los’ bent van alles en dat je alles even achter je hebt gelaten, maar je nationaliteit laat zich niet verloochenen. Dat is leuk om te constateren.
Margrit als Zwitserse heeft zich grondig voorbereid op haar taak als gastvrouw in de refugio. Dat wil zeggen: ze weet nu waar de apotheken zijn, waar de goedkope supermarkten te vinden zijn en vanmorgen liep ze met me mee tot aan de eerste gele pijl, zodat ze dat ook wist.
Van Jacques, de Franse gastheer van de refugio, moesten we gisteravond bijna alle restaurants langs voor we ergens naar binnen mochten: de een was te duur, de ander niet goed, de derde had ook weer iets, enz.
Een Hollands stel dat ik vanmiddag ontmoette, had ergens een kamer gehuurd, maar kwam erachter dat die € 50 moest kosten, dus ze hadden snel de rugzakken weer gepakt en slapen nu hier in de albergue. En ik, als Hollander, ga wel in een goed hotel als het kan (naar de aard van mijn moeder), maar vind het diep in mijn hart toch een beetje ‘te’. Het zit gewoon in je genen.

Goed, na deze overdenking weer ‘ter zake’: ik merk dat ik door mijn zusje weer op het rechte pad wordt geholpen met haar opmerking: “Tenslotte hoor je op een pelgrimstocht kerken te bezoeken”. Helemaal waar natuurlijk, en ik heb ze echt niet allemaal overgeslagen, maar ja, druk, druk, druk. En een dag ‘rusten’ wil ik nog even uitstellen. Maar lieve zus, ik heb in Zamora de kerk bezichtigd. Alleen heb ik niet zoveel kunnen filmen, want het mocht eigenlijk niet, dus ik heb het stiekem gedaan. Is dat nou een beetje Katholiek of een beetje Zeeuws: Het mag eigenlijk niet, maar je doet het stiekem toch? Dat bevalt me wel.
Zamora is trouwens een heel erg leuke stad: alle kerken zijn Middeleeuws en veel woonhuizen stammen uit de Romantiek en de jaren twintig: rechte lijnen en zachte kleurtjes. Vooral het contrast is erg leuk.

We hebben even gekeken in de refugio waar Margrit gaat werken. Een mooie refugio met zelfs een kantoor met ‘managementstoel’, zo’n draaistoel. Jacques zei: “Ik heb het nooit tot manager geschopt, maar nu ben ik er één, kijk maar naar mijn stoel”.
Daarna zijn we dus met zijn drieën gaan eten en dat was heel erg gezellig. Zij hebben inmiddels zoveel pelgrims langs zien komen en daarover kunnen ze veel vertellen, want elke pelgrim is weer anders natuurlijk. De avond vloog voorbij en hoe het kwam dat de drie flessen wijn, die we kregen, ineens leeg waren weet ik ook niet.
Maar de wijn was ‘medicinaal’ bedoeld, namelijk als middel tegen slapeloosheid. Wat ik al vreesde, gebeurde: het was groot feest voor mijn deur. En Spanjaarden zijn erg leuke mensen, maar ze maken een ongelooflijke herrie. En als je dan wat wijn hebt gedronken, slaap je er makkelijker doorheen. Tenslotte moet je elke ochtend fit wakker worden.

Dat heb ik dus vanochtend ook gedaan en als ontbijt heb ik churros gegeten. Dat zijn een soort langwerpige oliebollen, ze smaken ook zo. Dat was weer een geheel nieuwe ervaring, oliebollen op je nuchtere maag. Die eten ze hier bij de koffie en dan soppen ze ze ook nog in de koffie. Daar heb ik me maar niet aan gewaagd.

Bij de eerste gele pijl ging Margrit terug en ik ben verder gelopen, weer over hele lange, kaarsrechte wegen, heuveltje op en heuveltje af. Ik hoor en lees van Ton en Suzanne dat ze onderweg steeds koffie drinken, maar daar is hier geen sprake van, want onderweg is er niets. Ook daar wen je aan. Ik had uitgerekend dat ik tussen twaalf en één uur in Montamarra zou arriveren en ik kwam er aan om half één. Keurig dus. Snel mijn wasje doen, douchen en scheren en dan naar het dorp om te eten. Ik heb dit keer heerlijk gegeten: vooraf twee soorten pasta en twee soorten kaas, een vorstelijke biefstuk met goeie patat en een puddinkje met dubbel slagroom toe. Dus Theo kan er weer even tegen.
En dan vanmiddag in het zonnetje een lekker sigaartje in de tuin van de albergue, wie doet je wat! Het was wel een beetje frisjes en af en toe wat wolken, dus ik heb Gery op de buienradar laten kijken, maar het belooft de komende dagen droog te blijven.

O ja, even een berichtje voor Jinze: je moet je proefschrift in het Spaans vertalen, want hier maken ze een zooitje van de bermen. Twee keer maaien? Ze doen het niet eens één keer per tien jaar volgens mij! Er ligt hier dus een heel terrein braak voor je.

Categorieën: 2011: Via de la Plata | Een reactie plaatsen

Blog op WordPress.com.